Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

 

De geschiedenis van het politieke denken neemt binnen het scala van historische subdisciplines een bijzondere plaats in. Voor een deel heeft dit te maken met het interdisciplinaire karakter van dit vakgebied, waarin niet alleen historici actief zijn maar ook politicologen en filosofen.

 

Auteur: Jacques Bos

Belangrijker is echter het feit dat er in dit veld in de afgelopen decennia een uitgebreide theoretische discussie is gevoerd, waardoor de geschiedenis van het politieke denken zich in methodologisch opzicht van andere historische terreinen is gaan onderscheiden. In dit artikel zullen de contouren van dit theoretische debat geschetst worden als historiografische inleiding op de hierna verzamelde bijdragen.

De geschiedenis van het politieke denken is lange tijd in sterke mate gericht geweest op de bestudering van een canon van grote denkers, van wie verondersteld werd dat zij zich bezighielden met ‘eeuwige problemen’ zoals vrijheid, gelijkheid en de rol van de staat. Deze gerichtheid op de canon is duidelijk zichtbaar in de meest gangbare overzichtswerken van de geschiedenis van de politieke theorie, ook die van relatief recente datum.[1] Bovendien is de nadruk op de studie van ‘grote denkers’ en ‘eeuwige vragen’ niet beperkt gebleven tot de handboeken. Een typerende opvatting voor dit perspectief is bijvoorbeeld Karl Poppers visie dat Plato in wezen beschouwd kan worden als een pleitbezorger van het totalitarisme.[2]

Een zeer uitgesproken verdediger van de studie van de canon in de geschiedenis van het politieke denken is de Amerikaanse conservatieve filosoof Leo Strauss (1899-1973). Strauss keert zich nadrukkelijk tegen een historiserende lezing van teksten uit de geschiedenis van de politieke filosofie, waarin de betekenis van een tekst aan de context gerelateerd wordt. Deze manier van lezen mondt in zijn ogen namelijk onvermijdelijk uit in relativisme en nihilisme. In plaats daarvan betoogt Strauss dat canonieke teksten uit het verleden filosofisch serieus genomen moeten worden door een zeer zorgvuldige lezing, gericht op het blootleggen van ‘esoterische elementen’ die aan de oppervlakte van de tekst niet onmiddellijk zichtbaar zijn. Het uiteindelijke doel van deze manier van lezen is volgens Strauss het herstellen van het contact met de antieke en joods-christelijke wortels van de westerse cultuur die in de moderne wereld dreigen te vervagen.[3]

Een op de bestudering van de canon gerichte benadering als die van Strauss zal de meeste historici weinig aanspreken – en niet alleen vanwege diens conservatieve, cultuurpessimistische oriëntatie. Kenmerkend voor het historistische perspectief dat sinds de vroege negentiende eeuw de geschiedbeoefening domineert, is juist de opvatting dat gebeurtenissen en ideeën alleen in hun eigen context begrepen kunnen worden. Dat betekent dat het problematisch wordt om canonieke teksten te bestuderen met het oog op filosofische vragen die tegenwoordig relevant zijn of zelfs een ‘eeuwige’ relevantie zouden hebben.

De uiterste consequentie van deze opvatting is een totale reductie van de betekenis van politiek-theoretische teksten tot hun context. Een dergelijk reductionisme is duidelijk zichtbaar in de historisch-materialistische visie op de relatie tussen ideeën en de sociaal- economische onderbouw, kernachtig verwoord door Marx en Engels in de stelling: ‘Die herrschenden Gedanken sind weiter nichts als der ideelle Ausdruck der herrschenden materiellen Verhältnissen.’[4] Historistische geschiedschrijvers zullen zulke reductionistische conclusies echter niet snel trekken, en wel om twee redenen. In de eerste plaats heeft dit te maken met de idealistische inspiratie van het klassieke historisme, met de opvatting dat de loop van de geschiedenis niet bepaald wordt door materiële factoren maar door ideeën.[5]

De tweede reden wordt gevormd door het individualistische en intentionalistische perspectief dat besloten ligt in het historisme. Historistische geschiedschrijvers kennen over het algemeen een doorslaggevend belang toe aan het bewuste handelen van individuele actoren in de geschiedenis; sociale en economische structuren spelen in hun visie op het historisch proces geen rol van betekenis. De context speelt evenwel een belangrijke rol als achtergrond die het menselijk handelen begrijpelijk maakt. Volgens deze visie fungeert de context in de geschiedenis van het politieke denken dus als een setting waarin individuele denkers verschillende opties hebben om bepaalde ideeën te vormen en niet als een maatschappelijke onderbouw waartoe die ideeën volledig gereduceerd kunnen worden.

Een belangrijke vertegenwoordiger van het historisme die zich uitgebreid met de geschiedenis van het politieke denken heeft beziggehouden, is Friedrich Meinecke (1862-1954).[6] Meineckes voornaamste werk op dit terrein is Die Idee der Staatsräson in der neueren Geschichte, gepubliceerd in 1924. Hij onderzoekt hierin de verhouding tussen macht en ethiek in het politieke leven vanaf de Renaissance. Het idee van de staatsraison vormt volgens Meinecke de brug tussen beide: het belichaamt geen universele ethiek of ongebreidelde machtsuitoefening, maar duidt op alles wat doelmatig, nuttig en heilzaam is om de staat ‘das Optimum seiner Existenz’ te laten bereiken.[7] De staat wordt door Meinecke opgevat als een zich organisch ontwikkelende individualiteit, en staatslieden zijn de individuele actoren die deze ontwikkeling van de staat tot stand moeten brengen. Het idee van de staatsraison brengt beide als het ware samen, door de staatsman een perspectief op het wezen van de staat te verschaffen.

De geschiedenis van het politieke denken wordt op deze manier in de eerste plaats aan de politieke geschiedenis gerelateerd, als een factor die tegelijkertijd bepaald wordt door en ook bepalend is voor de politieke ontwikkeling. Dat komt duidelijk naar voren in de reeks denkers die Meinecke bespreekt: Machiavelli wordt behandeld, maar daarnaast komen vooral minder bekende denkers aan de orde en krijgt ook de Pruisische koning Frederik II ruime aandacht. Hiermee wordt duidelijk afstand genomen van de canon van de geschiedenis van de politieke filosofie: de op de politieke context georiënteerde ideeëngeschiedenis van Meinecke brengt andere denkers in beeld.

Meinecke is primair geïnteresseerd in het verband tussen ideeën en de politieke praktijk en gaat niet expliciet in op de relatie tussen de door hem bestudeerde politieke denkbeelden en de filosofische canon. Niettemin is het de moeite waard om kort op deze relatie in te gaan. Paul Oskar Kristeller (1905-1999) maakt in dit verband een onderscheid tussen de geschiedenis van de filosofie in strikte zin – waarin vooral canonieke teksten bestudeerd worden – en de geschiedenis van het denken. Dit laatste veld is aanzienlijk breder dan het eerste: het richt zich op de geschiedenis van aan de filosofie grenzende gebieden zoals wetenschap, religie, literatuur en kunst. Deze gebieden vormen volgens Kristeller ‘a storehouse of problems and ideas which are less elaborate and less methodical than those of philosophy proper, but which may stimulate philosophical thought and discussion when they are subjected to some greater methodological elaboration’.[8]

Evenals Meinecke ziet Kristeller de ideeëngeschiedenis dus als een zelfstandig veld van studie, te onderscheiden van de geschiedenis van de filosofische canon. Maar anders dan Meinecke doet hij een poging beide gebieden expliciet af te grenzen, door erop te wijzen dat de geschiedenis van de filosofie en de geschiedenis van het denken wezenlijk verschillende objecten hebben en bovendien op een verschillende manier naar die objecten kijken – in het eerste geval vanuit het systematische begrippenkader van de filosofie, als ‘an integral part of philosophy itself’, in het tweede geval vanuit een breder historisch perspectief.[9] Daarnaast ligt de relevantie van de ideeëngeschiedenis voor Kristeller op een ander vlak dan voor Meinecke: de laatste plaatst de studie van ideeën in het kader van de politieke geschiedenis, Kristeller ziet de geschiedenis van het denken primair als een ‘auxiliary discipline’ van de geschiedenis van de filosofie.[10]

Een andere visie op de verhouding tussen de ideeëngeschiedenis en de geschiedenis van de filosofie vinden we bij Arthur O. Lovejoy (1873- 1962), die niet alleen inhoudelijk maar ook institutioneel een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de ideeëngeschiedenis, onder meer door de oprichting van The Journal of the History of Ideas in 1939.[11] Evenals Kristeller ziet Lovejoy de ideeëngeschiedenis als een discipline die wezenlijk verschilt van de geschiedenis van de filosofie. Aan de ene kant is zij minder beperkt dan de geschiedenis van de filosofie: haar domein strekt zich uit over diverse velden van onderzoek, zoals wetenschap, literatuur, kunst, religie en politiek. Aan de andere kant onderscheidt de ideeëngeschiedenis zich van de geschiedenis van de filosofie doordat zij methodologisch specifieker is: de ideeëngeschiedenis richt zich niet op werken, systemen of stromingen, maar deelt deze op in de elementen waaruit ze zijn samengesteld, in wat Lovejoy aanduidt als unit-ideas.

Door zich te concentreren op deze unit-ideas kan de ideeënhistoricus bepaalde constante lijnen opsporen in de geschiedenis van het denken en bovendien de uiteenlopende terreinen waarop deze geschiedenis zich afspeelt met elkaar in verband brengen.[12] Lovejoy heeft deze visie uitgewerkt in The great chain of being, dat verscheen in 1936. Hij betoogt in dit boek dat een van de belangrijkste unit-ideas in de geschiedenis van het westerse denken – van Plato tot de Duitse idealisten – gevormd wordt door de gedachte dat alle dingen in de wereld verenigd zijn in een hiërarchisch systeem, een ‘great chain of being’ die de meest verheven entiteiten in verband brengt met de allerlaagste en eenvoudigste schepselen.

Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werd de geschiedenis van het politieke denken grotendeels binnen de hierboven geschetste kaders bestudeerd. Een deel van de onderzoekers in dit veld – veelal politieke wetenschappers en filosofen – richtte zich vrijwel uitsluitend op de bestudering van canonieke teksten. Anderen kozen voor een breder perspectief, bijvoorbeeld door de geschiedenis van de politieke theorie – waartoe nadrukkelijk ook teksten buiten de politiek-filosofische canon werden gerekend – te relateren aan de politieke geschiedenis. In zekere zin was de geschiedenis van het politieke denken hiermee in een impasse geraakt. Het bestuderen van de canon bood in wezen alleen perspectief als bijdrage aan het systematische filosofische debat, als poging om bepaalde in het heden relevante vraagstukken nader te onderzoeken. Voor veel historici was een dergelijke benadering uiteraard weinig aantrekkelijk. Zij waren immers gevormd door het historistische principe dat verschijnselen – en dus ook ideeën – uit het verleden alleen in hun context begrepen kunnen worden.

Tegelijkertijd kwam de klassieke historistische opvatting dat politieke gebeurtenissen de kern van het historisch proces vormen en dat deze verklaard kunnen worden door te verwijzen naar ideeën en het intentioneel handelen van individuen meer en meer onder druk te staan. Door de bloei van historische subdisciplines als de economische en de sociale geschiedenis, al dan niet marxistisch geïnspireerd, werd deze traditionele visie op het historische proces minder vanzelfsprekend. Sociale en economische structuren kwamen in het centrum van de belangstelling te staan, wat leidde tot een nieuwe visie op de rol van ideeën in de geschiedenis en tot nieuwe opvattingen over wat kon gelden als een relevante context voor de verklaring van ideeën.

In het verlengde van deze ontwikkelingen ontstond in brede kring het streven naar een methodologische vernieuwing van de geschiedenis van het politieke denken. In de Duitse geschiedschrijving is dit streven vooral zichtbaar in de Begriffsgeschichte die vanaf de late jaren zestig onder leiding van Reinhart Koselleck (1923-) werd ontwikkeld. Met de term ‘begripsgeschiedenis’ werd tot dan toe vooral het onderzoek naar de geschiedenis van filosofische concepten aangeduid, zoals dat werd verricht rond het tijdschrift Archiv für Begriffsgeschichte.[13] Daarbij ging het om ideeëngeschiedenis in de zin van Kristeller. De begripshistorici rond Koselleck namen echter nadrukkelijk afstand van deze benadering. Zij richtten zich niet zozeer op concepten die relevant waren vanuit het perspectief van de geschiedenis van de filosofie, maar op begrippen die een uitdrukking waren van en vorm gaven aan de politiek-maatschappelijke orde.

De begripsgeschiedenis kreeg daarmee een plaats in het veld van de geschiedenis van het politieke denken. De ontwikkeling van concepten werd bovendien nadrukkelijk met de sociale geschiedenis in verband gebracht, waarmee afstand genomen werd van traditionele historistische benaderingen zoals die van Meinecke.[14] Deze relatie tussen sociale geschiedenis en begripsgeschiedenis moet overigens niet als een eendimensionaal causaal verband opgevat worden. Koselleck betoogt dat begrippen voortkomen uit een bepaalde maatschappelijke context, maar tegelijkertijd deze context beïnvloeden. Concepten zijn dus zowel indicatoren van als factoren in maatschappelijke veranderingsprocessen.[15]

Deze uitgangspunten werden uitgewerkt in een collectief onderzoeksproject dat resulteerde in het achtdelige lexicon Geschichtliche Grundbegriffe.[16] In dit lexicon wordt de geschiedenis getraceerd van een groot aantal fundamentele concepten op het gebied van het denken over politiek en samenleving, zoals ‘volk’, ‘burger’, ‘vrijheid’ en ‘vooruitgang’. De tijdspanne die daarin bestreken wordt is doorgaans zeer omvangrijk: de meeste van deze grondbegrippen hebben een geschiedenis die zich uitstrekt van de Oudheid tot heden. Een cruciale periode wordt gevormd door de eeuw tussen 1750 en 1850, die volgens Koselleck beschouwd moet worden als een Sattelzeit, een overgangstijd waarin grote maatschappelijke transformaties zoals de Franse Revolutie en de Industriële Revolutie zich vertaalden in fundamentele betekenisveranderingen van de centrale begrippen in het discours over politiek en maatschappij.

Deze betekenisveranderingen hebben volgens Koselleck een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Ten eerste gaat het om een democratisering van begrippen, wat inhoudt dat ze op een groter deel van de bevolking van toepassing worden geacht; daarnaast treedt er een Verzeitlichung op, in de zin dat concepten een toekomstverwachting en een diagnose van het verleden gaan bevatten. Tegelijkertijd worden de begrippen gepolitiseerd en krijgen ze een zodanige abstractiegraad dat ze als ideologisch instrument gebruikt kunnen worden.[17]

In de Geschichtliche Grundbegriffe staat de Duitse geschiedenis centraal. Geïnspireerd door dit lexicon werden ook voor andere Europese landen begripshistorische projecten opgezet, die echter op sommige punten aanzienlijk van het voorbeeld verschillen. In de jaren tachtig begon Rolf Reichardt (1940- ), een leerling van Koselleck, met de samenstelling van een Handbuch politisch-sozialer Grundbegriffe in Frankreich.18 De opzet van dit project is zeer vergelijkbaar met die van de Geschichtliche Grundbegriffe: in beide gevallen gaat het om meerdelige lexica waarin de ontwikkeling van een aantal van fundamenteel belang geachte begrippen wordt getraceerd. Ook in het Handbuch is sprake van een Sattelzeit, zij het dat deze in de periode tussen 1680 en 1820 gedateerd wordt.

De begripshistorische analyses beperken zich tot dit laatstgenoemde tijdvak, in tegenstelling tot de Geschichtliche Grundbegriffe, waar de geschiedenis van bepaalde concepten zo mogelijk vanaf de Oudheid wordt beschreven. Bovendien wordt een breder spectrum van bronnen onderzocht door ook gebruik te maken van niet expliciet theoretiserende teksten, zoals pamfletten, tijdschriften en woordenboeken. In dit opzicht beweegt de begripsgeschiedenis van het Handbuch zich enigszins in de richti

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

 

Afkomstig uit:
 

Titel:     De geschiedenis van het politieke denken. Van canon naar praktijk
Nummer:De geschiedenis van het politieke denken
Jaargang: 19.3
 
 

Bestel het gehele nummer op onze website: 

 

  

 

 

Noten:

 

[1] Zie bijvoorbeeld George H. Sabine en Thomas L. Thorson, A history of political theory (Hinsdale, Ill. 1937; de laatste herziene editie verscheen in 1973) en J.S. McClelland, A history of Western political thought (Londen 1996).


[2] Karl R. Popper, The open society and its enemies I. The spell of Plato (Londen 1945).

[3] Een goed overzicht van Strauss’ benadering van de geschiedenis van het politieke denken bieden de artikelen in Hilail Gilden ed., An introduction to political philosophy. Ten essays by Leo Strauss (Detroit 1989).


[4] Karl Marx en Friedrich Engels, ‘Die deutsche Ideologie’ in: Idem, Werke III (Berlijn 1969) 46.

[5] Luise Schorn-Schütte, ‘Ideen-, Geistes- Kulturgeschichte’ in: Hans-Jürgen Goertz ed., Geschichte. Ein Grundkurs (Hamburg 1998) 489-515.

[6] Voor Meinecke, zie Georg G. Iggers, Deutsche Geschichtswissenschaft. Eine Kritik der traditionellen Geschichtsauffassung von Herder bis zur Gegenwart (4e druk; Wenen 1997) 253-294.


[7] Friedrich Meinecke, Werke I. Die Idee der Staatsräson in der neueren Geschichte (München 1957) 5.

[8] Paul Oskar Kristeller, ‘The philosophical significance of the history of thought’ in: Idem, Studies in Renaissance thought and letters I (Rome 1956) 8.


[9] Ibidem, 9.


[10] Ibidem.

[11] Voor een uitvoerige bespreking van het werk van Lovejoy, zie Daniel J. Wilson, Arthur O. Lovejoy and the quest for intelligibility (Chapel Hill, N.C. 1980).

[12] Arthur O. Lovejoy, The great chain of being. A study of the history of an idea (herz. ed. 1964; Cambridge, Mass. en Londen 1978) 3-23.

[13] Pim den Boer, ‘The historiography of German Begriffsgeschichte and the Dutch project of conceptual history’ in: Iain Hampsher-Monk, Karin Tilmans en Frank van Vree ed., History of concepts: comparative perspectives (Amsterdam 1998) 13-14.


[14] Voor een uitgebreide bespreking van het theoretische perspectief van de Begriffsgeschichte, zie Melvin Richter, The history of political and social concepts. A critical introduction (Oxford 1995).

[15] Reinhart Koselleck, ‘Begriffsgeschichte und Sozialgeschichte’ in: Idem ed., Historische Semantik und Begriffsgeschichte (Stuttgart 1979) 19-36.


[16] Otto Brunner, Werner Conze en Reinhart Koselleck ed., Geschichtliche Grundbegriffe. Historisches Lexicon zur politisch-sozialen Sprache in Deutschland (Stuttgart 1972-1997).

[17] Reinhardt Koselleck, ‘Einleitung’ in: Geschichtliche Grundbegriffe I (Stuttgart 1972) xv-xix.


[18] Rolf Reichardt en Eberhardt Schmitt ed., Handbuch politisch-sozialer Grundbegriffe in Frankreich, 1680-1820 (München 1985- ).


[19] Den Boer, ‘The historiography of German Begriffsgeschichte’, 18-20.

[20] N.C.F. van Sas ed., Vaderland. Een geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw tot 1940 (Amsterdam 1999); E.O.G. Haitsma Mulier en W.R.E. Velema ed., Vrijheid. Een geschiedenis van de vijftiende tot de twintigste eeuw (Amsterdam 1999); Pim den Boer ed., Beschaving. Een geschiedenis van de begrippen hoofsheid, heusheid, beschaving en cultuur (Amsterdam 2001); Joost Kloek en Karin Tilmans ed., Burger. Een geschiedenis van het begrip ‘burger’ in de Nederlanden van de Middeleeuwen tot de 21ste eeuw (Amsterdam 2002).

[21] J.L. Austin, How to do things with words (2e druk; Oxford 1976) 94-108.

[22] Quentin Skinner, ‘Meaning and understanding in the history of ideas’ in: James Tully ed., Meaning and context. Quentin Skinner and his critics (Cambridge 1988) 29-67. Voor de hier genoemde visies op Il principe, zie Skinners inleiding in Machiavelli, The prince (Cambridge 1988) ix-xxiv.


[23] Quentin Skinner, The foundations of modern political thought (Cambridge 1978).


[24] J.G.A. Pocock, The Machiavellian moment. Florentine political thought and the Atlantic Republican tradition (Princeton, N.J. 1975).

[25] J.G.A. Pocock, ‘The state of the art’ in: Idem, Virtue, commerce and history. Essays on political thought and history, chiefly in the eighteenth century (Cambridge 1985) 1-34.


[26] Michel Foucault, Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines (Parijs 1966).

[27] Michel Foucault, Surveiller et punir. Naissance de la prison (Parijs 1975); Idem, Histoire de la sexualité (Parijs 1976-1984).


[28] Patricia O’Brien, ‘Michel Foucault’s history of culture’ in: Lynn Hunt ed., The new cultural history (Berkeley, Cal. 1989) 34-37.

[29] Vgl. Iain Hampsher-Monk, ‘Speech acts, languages or conceptual history?’ in: Iain Hampsher-Monk, Karin Tilmans en Frank van Vree ed., History of concepts: comparative perspectives (Amsterdam 1998) 37-50.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone