De handel stond altijd voorop
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest4Email this to someone

Kooplui, dominees en reizigers vonden afgelopen 400 jaar de weg naar Istanbul

‘Rond half elf werden er drie schoten gehoord door de bewoners van het huis. Mevrouw Mock hoorde direct daarna voetstappen langs het verandaraam. Een van de bedienden liep naar de deur die toegang verschafte tot de tuin en zag een lichaam op de oprijlaan liggen. Mevrouw Mock en twee andere bedienden werden geroepen en gingen naar de plaats des onheils. Ze dachten dat het een flauwte betrof; pas toen het lichaam werd omgedraaid, beseften ze wat er was gebeurd.’

Dr. Jan Schmidt

Het lichaam waarover dit officiële verslag van de moord verhaalt, behoorde toe aan jonkheer W.A. Mock, een Nederlandse koopman die een buitenhuis had in Seydiköy, een dorp niet ver van de Turkse kuststad Izmir. Daar was al eeuwenlang een Nederlandse gemeenschap gevestigd. Het voorval had plaats op 16 november 1912. Er werd nooit iemand veroordeeld voor de brutale moord, ook al viel de verdenking al gauw op een bandiet genaamd Hamiroglu Panayoti, die in de omgeving was gesignaleerd.

Hij werd in 1913 in Athene gearresteerd en vertelde een journalist van een Griekse krant dat hij ‘daar’ (in de omgeving van Izmir) heel wat Turken had omgelegd, maar nooit een christenmens. Hoewel de weduwe de Ottomaanse regering aansprakelijk achtte voor de aangerichte schade en schadevergoeding eiste, weigerde de Nederlandse gezant haar claim te ondersteunen.

GELOOFSBRIEVEN Illustratie in 'akte van capitulatie' uit 1612, het Nederlands-Ottomaans verdrag

Dit is misschien een van bloedigste confrontaties tussen een Nederlander en een ‘Turk’, of beter gezegd een etnisch-Griekse onderdaan van de sultan. De sultan heerste over wat toen nog een wereldrijk was, dat zich uitstrekte van Noord-Afrika tot aan Perzië, en van de Donau in Midden-Europa tot aan de bovenloop van de Nijl in Soedan.

Afgezien van zo’n enkel voorval, kenmerkt de vierhonderd jaar geschiedenis van de Nederlands-Turkse betrekkingen zich over het algemeen door weinig spanningen. Er is sprake van vriendschap, er werd onderling weinig tot niet gebombardeerd of geschoten en er vielen weinig doden.

Uitzonderingen waren de agressie tegen Nederlandse schepen van de zeerovers uit ‘Barbarije’ (zoals het gebied van de Berbers in Noord-Afrika werd genoemd, dat toen tot het rijk van de sultan behoorde), en later de moord op jonkheer Mock (1912) en de dramatische evacuatie van de Nederlandse kolonie uit Izmir in 1922.

Dat er zo weinig vuurwerk was, kwam vooral doordat Nederland ver weg lag, maar ook door de relatieve onbelangrijkheid van het land na het rampjaar 1672. Vóór dat jaar was Nederland – toen nog de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden – een wereldmacht geweest. Of liever gezegd, een maritieme macht by default, bij ontstentenis van machtige staten om Nederland heen. De Duitse landen en Frankrijk werden in de eerste helft van de zeventiende eeuw verscheurd door een interne machtsstrijd, en van Groot-Brittannië was het maritieme potentieel nog niet tot volle bloei gekomen.

Ook als koloniale macht stelde Nederland weinig voor. Het kon alleen als zodanig blijven bestaan zolang de grote mogendheden dat toestonden. Na de Tweede Wereldoorlog was ook dat afgelopen en verloor Nederland de macht over Indië en Nieuw-Guinea, en later over Suriname. Turkije, tot 1923 in de vorm van het Ottomaanse Rijk, was daarentegen weliswaar geen wereldmacht, maar wel een grote mogendheid, een multi-etnische islamitische staat op het kruispunt van drie continenten: Europa, Azië en Afrika.

ZAKENPARTNERS Nederlandse handelsdelegatie in de havenstad Smyrna (het huidige Izmir)

Eeuwenlang streden de Ottomanen tegen hun erfvijand, de katholieke Habsburgers. Maar hun macht taande na het mislukte beleg van Wenen in 1683, dat een definitief einde maakte aan hun territoriale expansie. Daarna was Turkije alleen nog door zijn omvang – ook al slonk die gestaag – een machtsfactor van belang, waarmee in Europa rekening moest worden gehouden.

Na 1923 verrees een nieuwe, zij het territoriaal veel beperktere, regionale macht in de vorm van de republiek Turkije. Nederland was daarmee verbonden, eerst in het kader van de NAVO en daarna door het associatieverdrag van Turkije met de Europese Economische Gemeenschap, de voorloper van de Europese Unie.

Onderkruipers

Gedurende de vierhonderd jaar vriendschappelijke betrekkingen was er één belangrijk element dat de twee staten verbond: de handel. De wederzijdse handel begon in de zestiende eeuw. Ottomaanse kooplieden, in dit geval bijna uitsluitend niet-moslims, zoals Joden en Armeniërs, waren aanwezig in Nederlandse havens, en vanaf ongeveer 1590 zeilde een groeiend aantal Nederlandse koopvaardijschepen naar Noord-Afrikaanse en meer oostelijk gelegen Ottomaanse havens.

Daarbij ondervonden zij vooral concurrentie van de Venetianen, Fransen en Britten. De Nederlanders kwamen met zilvergeld en kochten daarvan voornamelijk grondstoffen, zoals katoen en geitenwol (mohair), en luxe producten zoals zijden stoffen en tapijten. Het was de tijd van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

In die periode was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verwikkeld in een permanente oorlog met haar soeverein, de koning van Spanje. In 1609 werd een bestand gesloten dat de ‘straatvaart’, de scheepvaart door de Straat van Gibraltar, een stuk makkelijker maakte.

Niet lang daarna kwam het tot directe contacten tussen Den Haag, zetel van de Staten-Generaal, en de ‘Porte’. De term ‘Porte’ duidde de paleispoort aan, alsook de poort die toegang gaf tot de burelen van de groot-vizier, de eerste minister. Meestal wordt het begrip meer abstract gebruikt, als aanduiding voor de Ottomaanse regering: de sultan én de groot-vizier.

De interesse was wederzijds. De Ottomanen wilden profiteren van de Nederlandse handel en beide mogendheden zagen voordeel in een mogelijk bondgenootschap tegen de Habsburgers. In de Nederlanden deed al in de zestiende eeuw de slogan ‘liever Turks dan Paaps’ de ronde in kringen van strijdlustige protestanten, zoals de Watergeuzen.

De Nederlanders wilden bovendien af van hun positie van ‘onderkruipers’, die afhankelijk waren van buitenlandse protectie binnen het machtsbereik van de Ottomanen, inclusief de Barbarijse staten. Venetië, Frankrijk en Engeland hadden toen al sinds jaar en dag verdragen met de sultan. Vanuit Ottomaans-islamitisch perspectief werd deze landen ‘genadiglijk’ toegestaan handel te drijven met het Rijk tegen gunstige toltarieven. Onderdanen van deze landen mochten zich in het land van de ‘Grote Heer’ (de sultan) vestigen als zijn geprivilegieerde beschermelingen. Dat recht zouden de Nederlanders ook krijgen.

AANKOMST Prent van de ontvangst van de Nederlandse gezant Cornelis Haga in Istanbul, 1612

 

Partners

In 1611 nam de Porte daartoe het initiatief en nodigde de Haagse Staten-Generaal uit een gezant te sturen om te onderhandelen over duurzame commerciële en politieke betrekkingen. Van Nederlandse kant werden de onderhandelingen geleid door de Schiedamse patriciër Cornelis Haga, die later de eerste Nederlandse gezant bij de Porte werd, en ze resulteerden in het Verdrag van 1612. Daarin waren gedetailleerd de rechten en plichten van de Nederlanders in het Ottomaanse Rijk vastgelegd. Nederlanders mochten handel drijven met het Rijk tegen gunstige voorwaarden, ze mochten er reizen en zich er vestigen.

Er kwam een permanente Nederlandse ambassade in Istanbul en er verschenen consulaten in verschillende havensteden. Het gebouw van de Nederlandse ambassade bestaat nog steeds als consulaat-generaal aan de Istiklal Caddesi, een drukke winkelstraat in de wijk Beyoglu. Dit gebouw stamt overigens pas uit de negentiende eeuw (zie ‘Hollands paleis’ op pagina 36).

De belangrijkste taak van ambassadeur en consuls was de bescherming van Nederlandse kooplieden in de Levant (de oostelijke Middellandse Zee-kust) en toezicht op de uitvoering van de ‘capitulatiën’. Dat waren de bepalingen in het Verdrag van 1612 – dat nog een aantal malen werd vernieuwd, in 1634 en in 1680 – totdat het werd afgeschaft na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914.

In 1840, 1862 en 1873 werden er handelsverdragen met Nederland gesloten in moderne, westerse stijl, dat wil zeggen dat beide landen gelijkwaardig waren. Vóór de moderne tijd vonden de Ottomanen het niet nodig om een permanente vertegenwoordiger naar Den Haag te sturen, en alleen bij bijzondere gelegenheden kwam er een Turkse gezant naar Den Haag.

AUDIËNTIE Ambassadeur Cornelis Calkoen bezoekt sultan Ahmed III, 14 september 1727

Toen er eenmaal reguliere betrekkingen tussen Den Haag en Istanbul tot stand waren gekomen, werden de wederzijdse contacten intensiever, bloeide de handel op en nam het aantal reizigers toe. Ook groeide het aantal Nederlandse kooplieden dat zich vestigde in belangrijke Ottomaanse steden als Istanbul, Izmir, Aleppo, Caïro, en Salonica (Thessaloniki).

De grootste Nederlandse gemeenschap in het Ottomaanse Rijk vormde zich in Izmir. Daar vestigden zich in de loop van de zeventiende eeuw zo’n vijftien Nederlandse handelshuizen. Vanaf 1662 werd de groeiende Nederlandse kolonie er bediend door een dominee. Hij ging voor in een eigen protestantse kerk, die nog altijd bestaat (zie ‘Trots op Hollands koopmansverleden’ op pagina 38).

GEUZENPENNING Zeventiende-eeuwse penning met opschrift 'Liever Turks dan paus' (later verbasterd tot de geuzenleus 'Liever Turks dan paaps')

De omvang van de Nederlandse handel was overigens relatief gering, vergeleken met die welke werd bedreven met ‘de Oost’ en ‘de West’ – de werkterreinen van VOC en WIC. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw liep de handel geleidelijk terug. Uiteindelijk werd Frankrijk in de achttiende eeuw de belangrijkste Europese handelspartner van het Ottomaanse Rijk. Ook de politieke betekenis van Nederland nam af in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Dit betekende dat Nederlandse ambassadeurs aan de Porte, naast lopende zaken, weinig om handen hadden. Slechts af en toe nog speelden zij een bescheiden rol als bemiddelaars in conflicten tussen Europese mogendheden en het Ottomaanse Rijk.

Zo bemiddelde de Nederlandse gezant Jacobus Colyer bij onderhandelingen die leidden tot de Vrede van Karlowitz in 1699. Dit verdrag maakte een einde aan de langdurige oorlog tussen de Ottomanen en de Habsburgers die in 1683 was begonnen.

Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw was er weer sprake van enige reuring in de verhouding tussen Den Haag en de Porte. Het sleutelwoord daarbij was ‘pan-islamisme’, een ideologische beweging die in de tweede helft van de negentiende eeuw aanhang kreeg onder islamitische intellectuelen en streefde naar de wereldwijde emancipatie van de islamitische volkeren. Sultan Abdulhamid II wist zich als kalief, de geestelijk leider van alle moslims, als leider van deze beweging op te werpen.

Angst sloeg sommige Nederlandse koloniale gezagsdragers om het hart, mede door de kritische, ophitsende schrijfsels van de Leidse oriëntalist en adviseur voor Indische zaken, Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Snouck Hurgronje was vooral bang dat Indonesische pelgrims die de heilige steden in Arabië – die onder Ottomaans gezag stonden – bezochten, zouden worden aangestoken door het pan-islamitische virus en een verzetsbeweging in hun land zouden beginnen tegen het Nederlandse koloniale gezag. Dit viel erg mee. Uiteindelijk speelde het pan-islamisme, dat überhaupt weinig concreets om het lijf had, geen enkele rol in de dekolonisatie.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog ten slotte, wist een Nederlander, de koloniale ambtenaar Louis Westenenk (1872-1930), het nog tot inspecteur-generaal bij de Porte te schoppen. Namens de westerse grootmachten moest hij toezien op de bescherming van de Armeense bevolking in de oostelijke provincies van Anatolië, die in hun streven naar autonomie represailles vreesden van hun islamitische medeburgers.

GEESTELIJK LEIDER Sultan Abdulhamid II (midden) was kalief en leider van alle moslims

Toen Westenenk op 2 juli 1914 in Istanbul arriveerde, was het al te laat. De Eerste Wereldoorlog, waarin de Ottomanen de kant van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije kozen, stond op uitbreken. Westenenk zou nooit zijn post in Erzurum bereiken. Van de afkoopsom die hij van de Turken kreeg voor de eenzijdige opzegging van zijn contract, kocht hij 15 hectare grond bij het Gelderse dorp Gorssel. Daarop liet hij een villa bouwen, getooid met de Turkse naam Konak (‘residentie’ of ‘familiehuis’).

 

Verbaasd over het Hollandse huis

Vanaf de negentiende eeuw werd het reizen, door de opkomst van trein, stoomboot, telegraaf, en nog weer later ook vliegtuig, steeds gemakkelijker en goedkoper. De productie van reisliteratuur door Nederlanders die het kerngebied van het Ottomaanse Rijk bezochten, daalde tegelijkertijd echter sterk.

PRENT uit boek van Henry van Lennep

Niettemin is toen een van de fascinerendste boeken over Anatolië geschreven door Henry van Lennep (1815-1889). Hij was een zendeling van Nederlandse afkomst en zoon van de Izmirse opiumhandelaar en consul Jakob van Lennep. Henry van Lennep werd als 15-jarige jongen naar Amerika gestuurd, waar hij onder meer studeerde aan het Andover Theological Seminary. Zijn boek draagt de titel Travels in Little-Known Parts of Asia Minor – Reizen in onbekende delen van Klein-Azië – en werd in twee delen gepubliceerd in Londen in 1870.

Curieus is verder de obscure autobiografische zedenschets Jeugdige zondaars te Konstantinopel van de Fries Esgo Taco Feenstra Kuiper (1857-1908), die een zwerftocht van een ik-figuur in het circuit van homoseksuelen en jongensprostitués in Istanbul beschrijft. Ottomaanse of Turkse reisbeschrijvingen van Nederland zijn er nooit geweest, behalve wat fragmentarische passages in memoires en tijdschriftartikelen, gepubliceerd door een enkele diplomaat of reizende journalist. Zo wijdde de romancier en ambassadeur Yakup Kadri Karaosmanoglu – hij was in 1939-’40 gestationeerd in Den Haag – in zijn boek Diplomaat tegen wil en dank een hoofdstukje aan zijn verblijf in de residentie.

Hij was verbaasd over de enorme aantallen fietsen en fietsers, onder wie, heel bizar, leden van het Koninklijk Huis. En hij noemt de voor buitenstaanders ondoordringbare vesting van het Hollandse, bakstenen huis, waar men strikt al vóór half zeven ’s avonds aan de maaltijd zat. Ook vertelt hij hoe hij in de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd gewekt door het geronk van Duitse vliegtuigen. Dat had hij in het rustige Nederland nooit verwacht.

 

Verslavend

Tegen het begin van de negentiende eeuw – Napoleon heerste over continentaal Europa – kwam de Nederlandse zeescheepvaart geheel tot stilstand wegens de blokkade van de Nederlandse havens. De politieke betrekkingen tussen Istanbul en Den Haag werden tijdelijk geheel verbroken. De betrekkingen werden pas in 1813 hersteld.

Eerder al, in 1804, was de basis gelegd voor een permanente vertegenwoordiging van de Porte in Nederland met de benoeming van de eerste Ottomaanse consul-generaal in Amsterdam. De handel herstelde zich daarentegen moeizaam, en raakte pas in de tweede helft van de eeuw weer uit het slop, dankzij de opening van het Suezkanaal in 1869.

HANDELSGESLACHT Portret van de Hollandse familie Van Lennep in Smyrna rond 1770

Een belangrijke rol daarbij speelde de door koning Willem I opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), voorloper van de Algemene Bank Nederland. Zij stimuleerde de Turks-Nederlandse handel in wat misschien wel het meest lucratieve – want verslavende – landbouwproduct ooit is geweest: opium. Dat kocht de NHM– zij verkreeg het monopolie over deze leveranties – voor de Indische consument, die de wat pittiger smaak van de Levantijnse opium prefereerde boven die van opium uit Brits-Indië of China.

De meeste Turkse opium werd verbouwd in het westen van Anatolië (het Aziatische deel van Turkije). Het eindproduct werd voornamelijk via Izmir geëxporteerd. Nederlandse families ter plaatse, zoals de Van Lenneps, de Keuns en anderen, pikten er een graantje van mee als inkopers op de lokale markt. Onder internationale druk, allereerst van de Verenigde Staten, werd er vanaf het eind van de negentiende eeuw langzaam een eind gemaakt aan deze – immers immorele – handel.

In die tijd woonden er zo’n 350 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen in Izmir. Zij waren inmiddels grotendeels vervreemd van hun moederland. Via huwelijken met lokale Europese, Griekse en andere partners waren ze ‘Levantijnen’ geworden, die al lang geen Nederlands meer spraken, maar ‘Levantijns Frans’.

Populair

Handel was niet het enige bindmiddel met het Ottomaanse Rijk. Er was ook intellectuele belangstelling, zij het dat ook hiervoor gold dat de interesse van Nederlanders voor het Ottomaanse Rijk groter was dan omgekeerd.

Het Ottomaanse Rijk was, in tegenstelling tot het moderne Turkije, een veel minder populaire reisbestemming voor Nederlanders dan bijvoorbeeld Italië, het ‘klassieke’ reisdoel van rijke jongelingen op de educatief bedoelde ‘Groote Tour’. Toch waren er vanaf het einde van de zestiende eeuw reizigers die niet uit hoofde van hun beroep het land bezochten.

Een populair reisdoel in de Levant was van oudsher al Jeruzalem geweest, met name onder christelijke pelgrims. En daarnaast was Istanbul favoriet, eens de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk.

Hoewel reizigers graag een bezoek brachten aan het paleis, het liefst in het gezelschap van een ambassadeur die zijn geloofsbrieven aan de sultan kwam aanbieden – vaak beschreven in reisboeken – waren het toch de overblijfselen uit de Klassieke Oudheid die zich in de meeste belangstelling mochten verheugen.

BIJBELSE BESTEMMING Prent uit 1689, van de ruïne van Efeze, de kerk die in de bijbel wordt genoemd

Op de tweede plaats kwamen de christelijke monumenten, en niet alleen die in Istanbul. Buiten de hoofdstad waren het vooral de in de Bijbel genoemde ‘Zeven Kerken van Azië’ en de ruïnes uit de Klassieke Oudheid, zoals die van Efeze, die geletterde Nederlandse reizigers aantrokken. Onder hen was menige predikant. Uit overgeleverde reisverslagen blijkt wel dat het Ottomaanse Rijk in de vroegmoderne tijd eigenlijk werd beschouwd als ten onrechte bezet gebied dat ooit weer zou moeten terugkeren in de schoot van het christendom.

Weinig Nederlanders konden warmlopen voor de islam in zijn diverse verschijningsvormen, al worden die in hun reisgeschriften wel behandeld – meestal nogal obligaat. Daarbij werd ruim aandacht besteed aan pikante en ogenschijnlijk paradoxale zaken als de wijdverbreide drankzucht en de ‘pederastie’ onder de inwoners.

Uit de Nederlandse reisboeken ontstaat de indruk dat de reizigers weinig contact hadden met Ottomanen, voor zover het moslims betrof. Een belangrijke hindernis was de gebrekkige talenkennis over en weer. Maar afgezien daarvan verkeerden de meeste Nederlandse reizigers het liefst in het gezelschap van soortgenoten en zochten zij onderdak bij liefst protestantse Europeanen, zoals Britten en Zweden, of in christelijke instellingen zoals kloosters. Moderne hotels bestonden niet.

Weinig Nederlandse reizigers lieten sporen na in de vorm van reisverslagen, en de Nederlandstalige reisliteratuur die betrekking heeft op het kerngebied van het Ottomaanse Rijk is klein. Over Arabië en Noord-Afrika is meer geschreven.

Het veruit bekendste en spectaculairste vroegmoderne Nederlandse reisboek was ongetwijfeld dat van Cornelis de Bruijn, een schilder uit Den Haag, die in 1698 een monumentale, rijk geïllustreerde beschrijving publiceerde, nadat hij vele jaren door het land had gezworven. De jaren daarna bracht hij ook Franse en Engelse vertalingen van zijn werk op de markt.

Vak apart

Behalve bij Nederlandse reizigers was er ook enige belangstelling voor de Ottomanen bij Nederlandse geleerden. De serieuze bestudering van het islamitische Oosten ontstond in Nederland, net als in andere protestantse gebieden van Europa, als een pendant van de bijbelstudie. Protestanten wilden terug naar de oertekst van hun geloof: het Hebreeuwse Oude Testament.

Al in de zestiende eeuw drong het besef door dat het Hebreeuws verwant was aan het Arabisch. Derhalve zou een grondige kennis van die taal kunnen bijdragen tot een beter begrip van het oudtestamentische Hebreeuws. Weinigen waren in die eeuw bekend met de taal. Grammatica’s en woordenboeken ontbraken geheel.

Ook voor de kennis van de literatuur van moslims ontbraken de middelen. Boeken in het Arabisch, Perzisch of Turks waren moeilijk te krijgen. De enige oplossing was om teksten, in dit geval handschriften, ter plaatse te kopen of te laten kopiëren. Het liefst in Istanbul, waar de grootste boekenmarkt van het Midden-Oosten was.

ARABIST De Leidse wetenschapper Jacob Golius

De eerste Nederlanders die dit serieus aanpakten, waren Jacob Golius (1596-1667), professor Arabisch en wiskunde in Leiden, en diens student Levinus Warner (1619-1665), die jarenlang ambassadeur bij de Porte was. Tijdens hun reizen en hun verblijf in de Levant – Golius reisde ook nog door Marokko – wisten zij meer dan duizend handschriften te verwerven. De meeste daarvan kwamen uiteindelijk terecht in de Leidse universiteitsbibliotheek en vormden de kern van haar fameuze oosterse collecties.

Ook een enkele hoogleraar uit een latere periode reisde of werkte in het Ottomaanse Rijk en verzamelde handschriften. Onder hen was Johannes Heyman (1667-1737), dominee in Izmir en later hoogleraar in Leiden. Sommige teksten, waaronder officiële Turkse documenten die Nederlanders betroffen, liet hij kopiëren door een klerk die op het Nederlandse consulaat in Izmir werkte.

Turks speelde overigens een geringe rol in alle studies. De nadruk lag vooraleer op het Arabisch en op bijbelstudie, al bracht hun positie in Leiden mee dat zij nogal eens werden gevraagd om Turkse brieven te vertalen voor de Staten-Generaal.

Turkologie als apart vak op academisch niveau kwam pas tot ontwikkeling in de tweede helft van de negentiende eeuw. Dit gold ook voor andere Europese landen en de Verenigde Staten. Vóór die tijd stond de studie van dode talen en oude teksten in de meeste westerse landen in hoger aanzien dan de levende actualiteit.

De eerste lector Turks en Perzisch in Leiden was Martinus Theodorus Houtsma (1851-1943). De eerste hoogleraar Turks was Barbara Flemming, die van 1977 tot 1997 in Leiden werkzaam was.

Tulp: Nederlands of Turks?

Tulpen kwamen oorspronkelijk als wilde bloemensoort alleen voor in Anatolië. En deze tulpen zagen er geheel anders uit dan de moderne Nederlandse variant. Als ontdekker geldt de Habsburgse diplomaat van Vlaamse afkomst, Ogier Ghiselin de Busbecq (1522-1592), die in Anatolië reisde en zijn belevenissen vastlegde in een beroemd, oorspronkelijk in het Latijn gepubliceerd boek.

Hij stuurde zaden naar Europa en in 1593 was de eerste tulp te bewonderen in de Leidse Hortus Botanicus. De bloem werd in Nederland een ongeëvenaard commercieel succes en is nog steeds een belangrijk exportproduct. Ook in Turkije, waar de tulp in oude tijden een belangrijke decoratieve en symbolische functie vervulde, is inmiddels de ‘tulpomania’ toegeslagen. Ter gelegenheid van het Vijfde Tulpenfestival in 2010 werden er niet minder dan 9,3 miljoen tulpen in Istanbul geplant.

 

In 1958 werd bovendien het Nederlands Historisch-Archeologisch Instituut in Istanbul gevestigd – nu het Nederlands Instituut in Turkije. Dat richt zich, behalve op onderzoek naar de Turkse taal en cultuur, voornamelijk op ondersteuning van Nederlandse archeologen die in Turkije werken.

Chaotisch

De dagen van de Nederlandse kolonie in Izmir waren toen echter al lang voorbij. De dramatische ontknoping was in 1922, toen Mustafa Kemal Atatürk en zijn vrijheidsstrijders oprukten naar Izmir om de Griekse bezetters uit de stad te verdrijven.

In de chaos ontstond er brand in het Europese deel van de stad. Een groot deel van de Nederlanders vond een goed heenkomen aan boord van de KNSM-stomer Deucalion, die hen naar Istanbul bracht. Dit betekende het einde van het ‘heidense’ Smyrna, de Griekse naam van de stad, waarin geen plaats meer was voor Grieken, Armeniërs, Europeanen en andere minderheden en buitenlanders. Tenzij zij bereid waren de Turkse nationaliteit aan te nemen, maar dat waren er maar weinigen.

Nieuwe impuls

De meeste Nederlandse families vertrokken naar Frankrijk; sommige gingen naar Griekenland, Tunesië of de Verenigde Staten. De opiumhandel was niet minder gedoemd dan het kosmopolitisme. In 1928 werden de laatste achthonderd door een Nederlander ter plaatse ingekochte kisten opium naar Indië verzonden. Enige jaren later werd de opiumhandel een monopolie van de Turkse staat en was het uit met de vrije drugshandel.

Wat nog herinnert aan het Nederlandse Turkije zijn, naast een enkel gebouw en wat grafzerken, de namen van de achterkleinkinderen van enkele blijvers, zoals Van der Zee en Dutilh.

Deze ommekeer betekende overigens niet het einde van de Nederlands-Turkse betrekkingen. Al in 1924 werd een vriendschapsverdrag tussen Nederland en het nieuwe Turkije ondertekend, in Ankara, de nieuwe hoofdstad van de jonge republiek. In 1935 werd onder auspiciën van koningin Wilhelmina en president Atatürk een Nederlands-Turkse vereniging opgericht. Dat er een persoonlijke briefwisseling zou hebben bestaan tussen de twee staatshoofden, is overigens een mythe.

OP DE VLUCHT Inwoners van Izmir verlaten de Turkse havenstad, die in 1922 door Turkse soldaten in brand werd gestoken

Ook de handel ging onverdroten verder. Nederlandse bedrijven bleven belangstelling voor Turkije tonen. Onder meer de Nederlandse internationals Unilever en Shell vestigden zich in Turkije. De Turkse gastarbeiders die vanaf 1964 naar Nederland kwamen (zie ‘Een stad, twee werelden’ op pagina 20) gaven de bilaterale relatie een nieuwe impuls. Er wonen nu zo’n 385.000 Nederlanders van Turkse afkomst in Nederland.

Het openstellen van de Turkse economie en het herstel van de democratie in 1983 leidden tot intensivering van de handelsbetrekkingen. Die werden verder gestimuleerd door de spectaculaire economische groei van Turkije, dat sinds 2003 wordt bestuurd door een redelijk stabiele regering onder premier Recep Tayyip Erdogan. Afgezien van de wederzijdse onvrede over de onderhandelingen over de Turkse toetreding tot de Europese Unie (zie ‘Ankara en Brussel: vrij worstelen’ op pagina 42) zijn er geen echte spanningen meer.

IN DEN HAAG In juni 2006 legt premier Erdogan een officieel bezoek af aan Nederland. Hij wordt ontvangen door koningin Beatrix

 

 

Tijdlijn

Circa 1300 – Ontstaan van een autonoom islamitisch vorstendom in Noordwest-Anatolië, onder leiding van Osman, een Turks stamhoofd en de eerste sultan van de Ottomaanse dynastie. Osman is dan formeel gezien nog een vazal van de van oorsprong Mongoolse Ilhanidische dynastie. Deze dynastie hield in 1336 op te bestaan; de Ottomanen weten in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw hun gezag sterk uit te breiden in Anatolië en op de Balkan.

1453 – De Ottomaanse sultan Mehmet II verovert de Byzantijnse hoofdstad Contantinopel, die door de Ottomanen Istanbul wordt genoemd. Het vorstendom is hiermee uitgegroeid tot een belangrijke regionale macht, die door christelijk Europa als een steeds grotere bedreiging wordt gevoeld.

1520-1566 – Regeringsperiode van Süleyman de Prachtige; het Ottomaanse Rijk groeit uit tot de belangrijkste islamitische staat in het Midden-Oosten.

1568 – Begin van de Tachtigjarige Oorlog in de Noordelijke Nederlanden, tegen de Spaanse (Habsburgse) overheersing.

Circa 1590 – De eerste Nederlandse koopvaardijschepen verschijnen in het oostelijke deel van de Middellandse Zee (‘de Levant’).

Schepen in de Levant, 1590

1609-1621 – Bestand in de Tachtigjarige Oorlog, waardoor de scheepvaart op de Middellandse Zee voor Nederland minder riskant wordt.

1611-1612 – Onderhandelingen tussen de Staten-Generaal in Den Haag en de Ottomaanse autoriteiten in Istanbul. Inzet is een verdrag (‘capitulatie’) dat Nederland het recht geeft om direct en onder eigen vlag handel te drijven met de Ottomanen, en Nederlandse onderdanen toestaat zich in het land te vestigen.

1612 – Een eerste ‘capitulatie’ wordt verleend door de Porte. Cornelis Haga vestigt zich als eerste gezant van Nederland in Istanbul.

1648 – Vrede van Munster, waarmee een einde komt aan de Tachtigjarige Oorlog en die de Noordelijke Nederlanden (‘de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden’) onafhankelijkheid brengt.

1683 – Het tweede beleg van Wenen door de Ottomanen mislukt. In de volgende jaren worden de Ottomaanse legers in opeenvolgende oorlogen steeds verder verdreven naar het zuidoosten van Europa, en zet het verval van het rijk, dat al aan het einde van de zestiende eeuw zichtbaar werd, verder door.

1804 – De eerste Ottomaanse consul vestigt zich in Amsterdam.

1806-1814 – Het Continentaal Stelsel, de blokkade van de zeehavens van het door Napoleon beheerste deel van Europa, wordt ingevoerd. De overzeese handel wordt nagenoeg onmogelijk. Betrekkingen tussen Nederland en Turkije worden tijdelijk verbroken.

1831 – In Istanbul wordt het eerste ‘Sultans-edict’ aangekondigd, dat zich ten doel stelt de staat in westerse zin te hervormen.

1840 – Het eerste moderne Nederlands-Turkse handelsverdrag komt tot stand.

1869 – Opening van het Suezkanaal in het huidige Egypte; dit betekent een enorme stimulans voor de Nederlandse scheepvaart op de Levant.

1914-1918 – Eerste Wereldoorlog, Nederland blijft neutraal. Het Ottomaanse Rijk wordt bondgenoot van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, en de Ottomaanse regering zegt de oude capitulaties met westerse staten op, dus ook met Nederland. Het Ottomaanse Rijk verliest de oorlog en de staat wordt verregaand opgedeeld tussen de geallieerden. Izmir en omgeving, waar veel Nederlanders wonen, wordt aan Griekenland toebedeeld.

1919-1923 – Onafhankelijkheidsoorlog van de nationalistische Turken, aangevoerd door Mustafa Kemal ‘Atatürk’. Hiermee wordt het einde ingeluid van het Ottomaanse Rijk.

1922 – De grote brand van Izmir, vlak na de verovering van de stad door Turkse troepen onder bevel van Atatürk. Hierop volgt een exodus van de Nederlandse gemeenschap met het KNSM-schip Deucalion.

1923 – Ondertekening van Verdrag van Lausanne, waarmee ook formeel een einde komt aan het Ottomaanse Rijk. De geallieerde bezetting van grote delen van het land wordt ongedaan gemaakt; de grote mogendheden erkennen Republiek Turkije.

1924 – Nederland en Turkije sluiten vriendschapsverdrag.

1935 – Oprichting van de Nederlandsch-Turksche Vereniging, onder auspiciën van koningin Wilhelmina en Atatürk.

1963 – De Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Turkije sluiten associatieovereenkomst.

1964 – De eerste Turkse gastarbeiders vestigen zich in Nederland. De Turkse gemeenschap telt in 2011 ongeveer 385.000 burgers.

1987 – Turkije vraagt lidmaatschap van Europese Unie aan.

2001 – De Turkse president Ahmed Necdet Sezer brengt een officieel bezoek aan Nederland.

2005 – Onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de EU beginnen.

2007 – Staatsbezoek van koningin Beatrix aan Turkije, waarbij zij de optimistische woorden spreekt: ‘De toenemende vervlochtenheid van onze landen houdt een duidelijke belofte in voor de toekomst.’

2010 – Aantreden van het kabinet-Rutte. De relatie met Turkije, waar Recep Tayyip Erdogan van de islamitische AK-partij inmiddels premier is, bekoelt. Dat gebeurt onder meer door uitlatingen van politici van gedoogpartij PVV. Zo zegt PVV-Tweede Kamerlid Raymond de Roon op 22 september 2011 in de Kamer: ‘Daar komt de islamitische aap uit de mouw, en hij heet Erdogan.’

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest4Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest4Email this to someone

Artikel afkomstig uit

 

Magazine-titel:Elsevier Speciale Edities
Aflevering:Ons Turkije
Uitgever:Reed Business Media
Prijs€ 8,95, 100 pagina’s

 

 

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest4Email this to someone