Nederland telt zo’n half miljoen vegetariërs, vleesvervangers rukken op en zelfs gourmets als Johannes van Dam noemen zichzelf ‘demi-veg’. Toch heeft het lang geduurd voordat vegetarisme een geaccepteerd verschijnsel werd. Eind 19de eeuw vond men het idee geen vlees te willen eten nog ronduit bizar: ‘verbeeld u, geen baars, geen biefstuk, geen kippen.’ 

Dirk-Jan Verdonk

Intensieve varkenhouderij

Begin 1880 signaleerde het tijdschrift De  Amsterdammer een opmerkelijk fenomeen:  mensen die vrijwillig géén vlees aten. Het blad  dacht dat deze vegetariërs of, zoals zij toen vaak  nog heetten, ‘vegetarianen’, louter een raar  buitenlands verschijnsel waren, en kon het toch  eigenlijk niet geloven:

‘Verbeeld u, geen soep, geen baars, geen biefstuk,  geen kippen; dat wat betreft het meer gewone;  maar voor den lekkerbek die getruffeerde  fazanten, snoek à la Chambord, oesters noodig  heeft, moet het leven van den vegetariaan geen  leven schijnen. Wat zal men nog eten? Meel,  griesmeel, maizena, rijst, macaroni, en als dit  alles gedaan is, beginnen dezelfde meelkostjes en  puddings op nieuw. Groenten voeden niet, naar  men zegt, en zonder vleesch zal er ook zooveel  werk niet van gemaakt worden. Bloemkool  zonder saucijsjes, spinazie zonder ham, worteltjes  zonder rundvleesch, peertjes zonder kalfsfricandeau  moeten spoedig uitgediend hebben.’

De reactie is exemplarisch voor de ontvangst van  vegetarisme in Nederland in het laatste kwart  van de 19de eeuw. Vegetarisme was onvoorstelbaar,  bespottelijk ook, en werd simpelweg voor  onmogelijk gehouden. ‘Groenten voeden niet’  was de voedingskundige communis opinio. Fruit  werd zelfs eigenlijk niet meer tot het domein  van de voeding gerekend, maar tot dat van de  genotmiddelen. Nog in 1911 plaatste de overheid  roken en vruchten eten op één lijn door de  heffing van invoerrechten op ‘tabak, sinaasappelen,  mandarijnen, citroenen, vijgen, rozijnen,  krenten etc.’ te verdedigen met het argument dat  het hier ging om ‘genotmiddelen waarvan het  gebruik niet strikt noodzakelijk is’.

Druiste dit lijnrecht in tegen het vegetarische  ideaal van een voeding bestaande uit groenten  en vruchten,  dat gold evenzeer voor het 19deeeuwse  wetenschappelijk geloof dat vlees het  menselijk voedsel bij uitnemendheid was. Vlees  zou kracht geven en was daarmee niet alleen  persoonlijk heilzaam, maar ook van nationale betekenis.  Een volk dat veel vlees at, was weerbaar,  zoals de Engelse overheersing van de rijstetende  Hindoes bewees. Vlees was niet alleen kracht,  maar ook beschaving en vooruitgang.

Het opmerkelijke van dergelijke zienswijzen was  natuurlijk dat grote delen van de Nederlandse  bevolking als gevolg van hun benarde economische  positie amper vlees áten. Het waren bovendien  die delen van de bevolking die doorgaans  de zwaarste fysieke arbeid leverden. Volgens de  heersende wetenschappelijke ideeën kon dat  feitelijk helemaal niet, maar in plaats van deze bij  te stellen leidde dit doorgaans slechts tot zorgen  over de sterkte van volk en staat en pleidooien  voor meer vlees. Pas in de 20ste eeuw erkende  het medisch establishment schoorvoetend dat  mensen ook zonder vlees konden presteren.

De Nederlandsche Vegetariërsbond

Wie in de 19de eeuw besloot vegetariër te  worden, haalde zich dus allerlei problemen op  de hals. Het betekende een frontale aanval op  het wetenschappelijk gezag. Kiezen voor vegetarisme  werd gezien als een vorm van zelfmoord  en onfatsoenlijke verzaking van burgerplichten.  Vooral was het echter lastig om allerlei socialeen praktische redenen. Want De Amsterdammer  had natuurlijk wel een punt: geen vlees, maar  wat dan te eten? En vervolgens: hoe hieraan  te komen? En waar? De geschiedenis van de  vegetarische beweging bestaat dan ook voor een  aanzienlijk deel uit het zoeken en organiseren  van oplossingen hiervoor.

Belangrijk hiervoor was de oprichting in 1894  van de  Vegetariërsbond, naar  Engels voorbeeld, waar in 1847 de Vegetarian Society  het leven had gezien (bij welke gelegenheid  overigens de term ‘vegetarianism’ werd gemunt).  Hoewel van zeer bescheiden omvang – bij aanvang  telde hij nog geen vijftig leden, na tien jaar  ruim vijfhonderd – vervulde de bond enkele cruciale  functies. Allereerst bood hij natuurlijk een  huis aan mensen die met hun eetgewoonten een  volstrekt geïsoleerde positie innamen. Indachtig  de uit de sociale psychologie bekende gevoeligheid  van mensen voor groepsdruk, valt dit  belang waarschijnlijk moeilijk te onderschatten,  niet alleen in het proces vegetariër te worden,  maar vooral om het ook te blíjven.

Ten tweede vormde de vegetariërsbond een  forum voor het uitwisselen en verspreiden van  informatie. Al vrij snel na oprichting gaf de  bond een kookboekje uit dat vele herdrukken  en herzieningen zou beleven, vanaf 1897 werd  een eigen tijdschrift uitgegeven en verder gaf de  bond talloze brochures uit, beschikte hij over  een inlichtingenbureau en trokken bondsleden  door het land om lezingen en demonstraties te  geven. Verder bood een vegetariërsvereniging  de mogelijkheid tot beleidsbeïnvloeding waar  particuliere personen niet toe in staat waren. Zo  richtte de bond verzoeken aan gevangenissen  om gedetineerden te kunnen laten kiezen voor  een vegetarisch maal. Dit was geen overbOngedateerde aquarel van Adri Pieck (1894-1982).odige  maatregel, niet omdat zoveel vegetariërs op  dievenpad gingen, maar omdat dienstweigeraars  vaak vegetariër waren en voor hun weigering in  het cachot belandden.

Belangrijker was echter dat vanuit de bond  reguliere restaurants werden aangemoedigd  vegetarische gerechten te serveren. In 1915  werd bijvoorbeeld samenwerking met de anwb  gezocht. Een jaar later hadden zestig restaurants  verklaard vegetariërs van dienst te willen zijn. Dat aantal liep nadien gestaag op. In 1932 stond de  teller op 462.

Ten slotte was de bond een plek waar initiatieven  werden genomen die buiten de bond konden  plaatsvinden, maar die in tijd van nood een  beroep op de bond mochten blijven doen. Meest  aansprekende voorbeeld hiervan is de opkomst  van de vegetarische restaurants. In 1897 opperde  bestuurslid Marie Jungius dat het misschien  een goed idee was om op de in 1898 te openen  Tentoonstelling van Vrouwenarbeid die zij organiseerde  een vegetarisch restaurant te hebben.  Dit werd het eerste vegetarische restaurant in  Nederland, en door de bond tot stand gebracht.  Het maakte vervolgens een doorstart in 1899 en  groeide uiteindelijk uit tot het in de vegetarische  wereld vermaarde hotel-restaurant Pomona. Het  stimuleerde in de eerste decennia van de 20ste  eeuw tot de oprichting van een hele serie restaurants,  veelal ook Pomona geheten. Buitenshuis  vegetarisch eten was daarmee, in de grote steden  althans, geen onoverkomelijk probleem meer.

Rauwkost en plantenrookworst 

In de door vegetarische kookboeken en restaurants  vormgegeven eetpraktijk overheerste een  nadruk op granen, aardappelen, peulvruchten en,  meest markant dus, op groenten, fruit en noten,  dit alles veelal aangevuld met een beetje zuivel  en af en toe een ei. Men probeerde daarbij andere  maaltijdvormen te ontwikkelen met andererecepturen. Nieuwe broodsoorten bijvoorbeeld  zoals, inmiddels sinds jaar en dag in de supermarkt  te koop, het allinsonbrood. Of pindakaas  en ontbijtgranen zoals cornflakes en ricecrispies:  beide uit de koker van een van de meest invloedrijke  Amerikaanse vegetariërs van rond 1900,  John Harvey Kellogg. Ook zeer wijdverspreid  geraakt is muesli, het geesteskind van Kelloggs  Europese tegenhanger Bircher Benner.

Kooktechnieken werden eveneens aangepast.  Ronduit revolutionair was de introductie van  rauwkost. Of anders werden kooktijden van  groenten sterk verkort. Om het hele jaar door  van groente en fruit verzekerd te zijn waren ook  nieuwe conserveringsmethoden dienstig, zoals  de door de Duitse vegetariër Johann Carl Weck  populair gemaakte vinding van het ‘wecken’.  En voor wie mentaal toch moeilijk afscheid kon  nemen van een rond vlees gecentreerde maaltijd,  werd gezocht naar een substituut: schijnvlees.  Het meest bekend daarvan was het ‘schijngehakt’,  een vleessubstituut op basis van peulvruchten,  maar in het Amsterdam van de jaren  twintig ontwikkelde de Eerste Nederlandsche  Fabriek van Plantaardige Delicatessen bijvoorbeeld  ook een ‘plantenrookworst’.

De vooroorlogse vegetarische infrastructuur werddoor de Tweede Wereldoorlog  goeddeels weggevaagd, en  het idealisme liep zware averij  op. Alle Pomona’s legden het  loodje en na de oorlog werd  vlees een van de eerste en meest  aansprekende tekenen van de  nieuwe welvaart. Het zou tot  de jaren zeventig duren voor er  een nieuwe vegetarische golf  opkwam, gestimuleerd door de  opkomst van de tegencultuur  van provo’s, kabouters en hippies,  gevoed door zorgen over  milieu, voedselveiligheid, het  wereldvoedselvraagstuk en door  onthullingen over het lot van de  dieren in de bio-industrie. Van  alternatieve subcultuur werd dit  vegetarisme vanaf de jaren tachtig  steeds meer als nichemarkt  onderdeel van de mainstream.

‘Verwandte wezens’ 

Zo beschouwd is de geschiedenis  van vegetarisme een  geschiedenis van een marginale  beweging die in de loop van de  tijd haar plek heeft veroverd.  Het is een leuke geschiedenis,  want die vegetariërs vormen  een bont gezelschap van originele,  niet zelden zonderlinge  figuren met vaak visionaire en  buitenissige denkbeelden en  exotische faits et gestes. Maar  je kunt ook op een andere  manier naar die geschiedenis  kijken, die eigenlijk interessanter  en uitdagender is. Een  mooi beginpunt om dit uit te  leggen vormt literator-medicus  Frederik van Eeden.

In een discussie die zich in  1890 ontspint in het letterkundig  tijdschrift De Nieuwe Gids  naar aanleiding van In het jaar  2000, de vermaarde utopische  roman waarin de Amerikaanse  schrijver Edward Bellamy de (vegetarische)  samenleving van de toekomst beschrijft, verklaart  Van Eeden: ‘Om mij heen zie ik ellende  lijden door dieren en menschen, door mij naverwandte wezens.’ Hij zag hierin een groeiend  gemeenschapsgevoel, een opkomend besef van  ‘solidariteit van het individu met andere wezens’.  Van Eeden was kort hiervoor vegetariër geworden en het dierenleed vormde een belangrijke reden.  Van Eeden blijkt in zijn eetpraktijk dieren te kunnen  definiëren als niet-voedsel, als ‘verwandte  wezens’ bovendien, als wezens die er intrinsiek  toe doen. Van Eeden is niet de enige die dieren  met nieuwe ogen beziet. Socialistisch voorman  Ferdinand Domela Nieuwenhuis krijgt eind 1884  de klemmende vraag voorgelegd waarom hij  slechts voor mensenbelangen opkomt, terwijl het  tijdschrift dat hij uitbrengt toch Recht voor allen  heet. ‘Wilt gij recht voor allen, dan moet ge ’t ook  voor de alleronrechtvaardigst behandelde dieren  willen,’ schrijft vrijdenkster Marie Anderson hem.  Domela kan zich daar moeilijk tegen verweren.  Hij heeft zich losgemaakt van het christendom  dat eeuwenlang de verhouding tussen mens en  dier legitimeerde en ageert tegen de ‘antropocentrische  grootheidswaan’ dat de wereld geschapen  zou zijn voor de mens. Maar daarmee is hij ook  het vertrouwde fundament verloren op basis waarvan belangen van mensen automatisch boven  die van andere dieren kunnen worden gesteld. Spotprent vegetarisme.

Het dier als ding 

Wat Domela overkwam, overkwam de samenleving  als geheel. Het christendom verloor zijn  vanzelfsprekendheid als grondslag van de maatschappij-  inrichting, waardoor de traditionele  legitimatie van bestaande mens-dierverhoudingen  problematisch werd. Maar anders dan Domela  die blijvend voor vegetarisme koos, verving de  maatschappij het pre-moderne christelijke verhaal  voor het moderne verhaal van een scheiding  tussen cultuur en natuur. Hierin staan dieren  buiten de (menselijke) samenleving, en verworden  tot dingen, tot natuurlijke hulpbronnen die  naar believen kunnen worden geëxploiteerd.  En daardoor maken zij, paradoxaal genoeg, een  steeds massaler onderdeel uit van de menselijke  samenleving. Zo massaal dat hun aanwezigheid  op zeker moment niet meer valt te ontkennen en  de scheiding van cultuur en natuur niet langer is  vol te houden. Het is een ontwikkeling die zich  het meest dramatisch toont in de opkomst van  de industriële veehouderij en de dierziektencrises  van rond het jaar 2000.

Bovengenoemde scheiding van cultuur en natuur  ligt ook aan de basis van de moderne geschiedschrijving.  Geschiedschrijving handelt per definitie  over mensen, niet over dieren. Die figureren  hooguit als bron voor voedsel, kleding of trekkracht,  in voorstellingen die nooit ter discussie  worden gesteld. Als eigenstandige wezens worden ze door historici de geschiedenis uitgeschreven.  Wat de geschiedenis van het vegetarisme daarom  zo interessant maakt, is de uitnodiging om, net  als Van Eeden, Anderson en Domela Nieuwenhuis,  die dieren serieus te gaan nemen. Een  geschiedenis van vegetarisme, van een voedselpatroon,  wordt daarmee bovenal een geschiedenis  van mens-dierrelaties. Een geschiedenis bovendien  die laat zien dat de gangbare geschiedschrijving  niet meer vanzelf spreekt en misschien wel  ronduit ongeloofwaardig is geworden.

Waarom? Omdat ook zij gebaseerd is op een historische  voorstelling van ‘de mens’ tegenover ‘het  dier’ die steeds moeilijker is vol te houden. Ook  voor de geschiedschrijving geldt dat zowel het  grote verhaal van de religie waarin dieren door  God aan de mens ter beschikking worden gesteld  als het moderne verhaal waarin dieren tot dingen  worden, aan kracht hebben ingeboet. Wil de geschiedschrijving  recht doen aan de werkelijkheid,  dan zal zij zich rekenschap moeten gaan geven  van de talloze wezens die samen met mensen  deze wereld bevolken.

Dirk-Jan Verdonk promoveerde onlangs aan de  Universiteit Utrecht op Het dierloze gerecht. Een vegetarische  geschiedenis van Nederland (Amsterdam  2009). Over dieren en vegetarisme  publiceerde hij in o.a. in Trouw, de bundel  Fatsoenlijk Vertier en Tijdschrift voor Geschiedenis.  Momenteel is hij hoofd campagnes voor de World  Society for the Protection of Animals in Nederland.

Share

Dit artikel is afkomstig uit:

 

Titel Geschiedenis Magazine
Jaargang 2009
Nummer 6

 

Share