Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Vanaf de stichting van hun orde in 1540 waren paters Jezuïeten actief in de missie. In het ‘drielandenpunt’ van het huidige Zuidwest Brazilië, Paraguay en Uruguay richtten zij vanaf 1609 nederzettingen in voor kannibalistische indianenstammen. Kerstening en vreedzame landarbeid bepaalden hun samenleving. Wat zochten de indianen bij hen?

Marina Marijnen

In de 17de en 18de eeuw werden ruim dertig missieposten opgezet om de leden van de indiaanse Tupi-Guaranistam te kerstenen. Deze lagen in een gebied dat zich uitstrekt over Zuid-West Brazilië en het grensgebied van Paraguay en Noord- Argentinië. Eerdere bekeringspogingen door Franciscanen en Dominicanen in deze streken waren op niets uitgelopen. Tijdens een synode van de katholieke kerk in Asunçion in 1603 kregen de Jezuïeten daarom deze taak toegewezen.

Spanje had politiek belang bij deze missieopdracht. De demarcatielijn die de koloniale gebieden van Spanje en Portugal in zuidelijk Amerika sinds het Verdrag van Tordesillas (1494) doorsneed, gaf voortdurend aanleiding tot conflicten tussen beide Iberische machten. De Portugezen stroopten het gebied af op zoek naar delfstoffen èn indianen, die zij als slaaf verkochten. In de literatuur worden zij afgeschilderd als de ‘slechteriken’, die maar op één ding uit waren, namelijk snel rijk worden. Hoewel op de koloniale praktijken van de Spanjaarden veel is aan te merken, lijkt het erop dat zij in de 17de en 18de eeuw met meer visie te werk gingen. Zij steunden de missie-activiteiten onder de indianen, die vervolgens konden worden ingezet in een vreedzaam productieproces. Bovendien troffen de Spanjaarden hun Portugese vijand door de indianen tegen de slavenjagers te beschermen. In het oorspronkelijke kerngebied van de Guarani, de huidige Braziliaanse provin- cie Parana, werden aan de rivier de Paranapanema de eerste missieposten gesticht, te weten Loreto (1609) en San Ignacio (1610). Snel daarna volgden er nog tien, waar naar schatting 30 000 indianen onderdak vonden.

In Europa spraken deze nederzettingen tot de verbeelding van verschillende humanisten, die er een parallel in zagen met de door Ovidius beschreven Aetas Aurea, het Gulden Tijdperk waarin de naakte mens in volkomen harmonie leefde met zijn medemens en de hem omringende natuur. In 1743 beschrijft de Italiaanse filosoof Muratori ‘het gelukkige christendom’ dat de Jezuïeten in Zuid-Amerika zouden hebben gerealiseerd. Montesquieu (1689- 1755) vergeleek de Jezuïeten met Plato (427-347 v. Chr.), die slechts gedroomd had over een ideale staat, terwijl de Jezuïeten er daadwerkelijk in geslaagd waren een ‘ideale staat’ voor de indianen te stichten. Hoewel Thomas More zijn geïdealiseerde woonstede van de ‘goede wilde’, beschreven in zijn Utopia (1516), in de Nieuwe Wereld situeert, wijst niets erop dat de Jezuïeten met de inrichting van hun missieposten op deze utopische samenslevingsvorm georiënteerd waren. More liet zich op zijn beurt wèl inspireren door verhalen over ideale samenlevingsvormen in de Nieuwe Wereld, die werden meegebracht door ontdekkingsreizigers als Raphael Hythlodäus, die Vespucci op diens reizen vergezelde.

Exodus

Slavernij was in de nederzettingen verboden. De Jezuïeten beloofden de indianen vrijstelling van het ‘encomienda- systeem’, een vorm van slavernij die de indianen verplichtte om zonder betaling arbeid te verrichten voor de ‘encomendero’, de Europese grootgrondbezitter. De Jezuïeten betaalden voor deze vrijstelling een tribuut aan de Spaanse kroon.

Geen wonder dat de Guarani in groten getale toestroomden. Ze hoopten in de missieposten bescherming te vinden tegen de slavenjagers uit Sao Paolo. Deze ‘Paulista’s’ ontdekten in de missieposten echter al snel een efficiënte mogelijkheid om in een enkele strooptocht meer indianen dan ooit te vangen. Zo werden Loreto en San Ignacio op een zondagochtend in 1629, toen alle indianen in de kerk zaten, overvallen. Na een volgende verwoesting van de missieposten volgden de Jezuïeten een oudtestamentisch plan om aan de geweldenaren te ontkomen. Overtuigd van de in hun stichtingsregel verwoorde plicht de indianen tot beschaving en tot het geloof te brengen (‘ad vitam civilem ed ecclesiam reducti sunt’), leidden Pater Ruiz de Montoya (1585-1652) en de zijnen de indianen weg uit het ‘land van verdrukking’. In zes maanden tijd brachten zij naar schatting 10 000 indianen dwars door de regenwouden naar hun ‘beloofde land’, dat zo’n 500 mijl zuidwaarts lag: het vruchtbare gebied tussen de rivieren Parana en Uruguay, nabij de grote watervallen van Iguaçu. Hier bouwden zij een nieuw San Ignacio (‘Mini’). Op een geometrisch grondplan verrezen Europees aandoende gebouwen versierd met inheemse elementen. Deze bouwstijl zou later met de term ‘Guarani barok’ worden aangeduid. In het oerwoud vlakbij het hedendaagse San Ignacio liggen nog altijd de ‘Ruinas Jesuiticas’: stille getuigen van dit nieuwgebouwde San Ignacio Mini, dat in 1768 ook met de grond gelijk gemaakt werd. De allereerste nederzettingen waren armoedig. Ze hadden in materiële zin weinig weg van een ‘ideaalstaat’.

Integendeel, hier te leven betekende veeleer een proeve van de christelijke deugd humilitas. Later in de 17de eeuw werden de leefomstandigheden echter beter. De ruim dertig stichtingen die in de loop der tijd werden gerealiseerd, waren ingericht op een uniform grondplan. Aan een rechthoekig of vierkant plein verrezen een kerkje, wat utiliteitsgebouwtjes en de gemeenschappelijke woningen van de indianen, die traditiegetrouw met vele families onder één dak leefden. De bewoners van bestaande dorpjes werden in deze nieuwe nederzettingen, die wel zeven tot achtduizend zielen telden, bijeengebracht. Geschat wordt dat in de eerste helft van de 17de eeuw zo’n 30 000 indianen hun toevluchtsoord in deze missieposten vonden. Dit aantal zou in de vroege 18e eeuw oplopen tot, naar schatting, 150 000 indianen.

Afgeleid van het werkwoord ‘reducere’ in de stichtingsregel van de orde, werden deze leefgemeenschappen mettertijd aangeduid als ‘reductions’. De leiding van zo’n ‘reduction’ lag bij twee Jezuïeten, maar de indianen hadden medezeggenschap in een volksvertegenwoordiging, ‘cabildo’, geleid door hun opperhoofd, de ‘cacique’.

Het fundament van de missieposten van de Jezuïeten bestond uit Indiaanse tradities, Europese discipline, idealisme en vooral geloofsijver. De dag begon met de vroegmis. Na een gezamenlijk ontbijt vertrok een deel van de bewoners onder muzikale begeleiding naar de akkers, die collectief bewerkt werden. Maniok, een knolvormige wortel waaruit meel verkregen werd, en maté, een theesoort, vormden de belangrijkste producten. Anderen hielden zich, onder toezicht van Jezuïeten, met veeteelt bezig, werkten als timmerman, bouwden boten of muziekinstrumenten. Ook waren er weef- en naai-ateliers. In enkele ‘reductions’ werden zelfs boeken afgeschreven en verlucht. De producten werden in Buenos Aires en elders verkocht. Voor het middagmaal en de siësta werd het werk onderbroken. De zes- tot achturige werkdag werd met een avondmaal en het bidden van de rozenkrans besloten.

Bekering

Dans en muziek speelden vanouds een belangrijke rol in de spirituele beleving van de Guarani. Van dierenbotten, bamboe, hout en zelfs van menselijke beenderen maakten zij blaasinstrumenten. Een uitgehold stuk hout fungeerde als trommel. Met een stuk bamboe werd stampend op de grond het ritme aangegeven. Dit geluid had ook een spirituele betekenis: het begeleidde de zielen van de stamgenoten naar het paradijs. Door kalebassen met zaden of steentjes te vullen verkregen de Tupi-Guarani rammelaars. Aan de geluiden van deze maraca’s werden magische krachten toegekend. De instrumenten werden, samen met kleine figuurtjes met menselijke trekken, in heilige hutjes bewaard. Een pater Jezuïet noteerde dat hij kalebassen zag, beschilderd met ogen en monden, waarin door medicijnmannen tabak werd gebrand. De rook die de kalebas via de neus-, oor- en ooggaten verliet inhaleerden zij, waardoor ze in trance raakten. Alvorens ten strijde te trekken werden deze kalebassen geraadpleegd.

Van deze antropomorfe figuurtjes en kalebassen is het slechts een kleine stap naar de beelden en reliekhouders van de rooms-katholieke kerk, waarvan de gelovigen ook heil verwacht(t)en. Net als geloofsverkondigers in de Oude Wereld zochten de Jezuïeten aansluiting bij bestaande tradities en godsdienstige gebruiken van hun potentiële bekeerlingen. Antonio Ruiz de Montoya stelde een grammatica met woordenlijst van het Guaraní samen, zodat zijn missiebroeders met de indianen konden communiceren. Veel indianen vereerden natuurgoden, elk met een eigen domein. Naast natuurgoden erkenden de Guarani een oppermacht en zij geloofden in een rijk na de dood, waar geen kwaad meer zou zijn. Heel bruikbaar voor de Jezuïten was hun verwachting van de (weder)komst van een godheid. (Zoals de Azteken in de komst van Cortez de lang verwachte terugkeer zagen van hun scheppingsgod). Door dit verwachtingspatroon stonden de Guarani open voor het christelijk gedachtengoed.

 

Met wat vindingrijkheid wisten de Jezuïeten tal van rooms-katholieke heiligen in te passen in de Indiaanse denkwereld. Op feestdagen werden de heiligen — katholiek maar met een indiaans vernisje — met muziek en dans in processies rondgedragen. Maar al voor de komst van de Jezuïten hadden christelijke vormen de indianen in deze streken bereikt. Dit blijkt onder andere uit een illustratie in het reisverslag van Hans Staden, een avonturier uit Homburg, die rond het midden van de 16de eeuw tweemaal naar Brazilië voer. De tweede reis bezorgde hem blijvende faam. In zijn Wahrhaftige Historia …eines Landes der Wilden, nackten, grimmigen Menschenfresser in der neuen Welt Amerika, dat in 1577 in Marburg voor het eerst in druk verscheen — het beleefde ruim tachtig herdrukken in acht talen en werd bij Plantijn ook in het Nederlands uitgeven — vertelt hij hoe hij zijn ruim negen maanden durende gevangenschap bij mensenetende indianen wist te overleven. Naast een uitvoerige beschrijving van de rituelen die voorafgaan aan- en volgen op het doden van het slachtoffer wordt ook het toebereiden van het feestmaal en het verorberen daarvan uit de doeken gedaan en in eenvoudige illustraties verbeeld. Op een van deze houtsneden verzamelen vrouwen maniok; terzijde knielen twee indianen onder een kruis met opschrift INRI. Dominicanen en Franciscanen, die als pioniers op missiegebied de Jezuïeten voorgingen, lieten hier hun sporen achter.

Zoals uit de titel van Hans Stadens reisverslag blijkt waren veel Indianen in Brazilië menseneters. Door de lichamen van hun gedode vijanden te eten, hoopten zij hun kracht in zich op te nemen. De Guarani behandelden hun vijanden in gevangenschap goed, maar tenslotte kregen die de genadeslag. Het slachtoffer werd onthoofd, de oren en de ledematen werden van het lichaam gescheiden, waarna deze in optocht werden rondgedragen. Vroege houtsneden van kannibalen in de Nieuwe Wereld tonen de separate lichaamsdelen die, zoals hammen bij ons, te drogen hangen. De hoofden kwamen op staken bij de ingang van het dorp te staan. Vervolgens werd in een feestelijke stemming de dode toebereid en geconsumeerd.

Van gedode vijanden bleef niets onbenut. Zelfs de schedels kregen een nieuwe functie. Als klankversterker bevestigd aan het uiteinde van een trompet of als drinkkom konden deze nog jaren mee. De tanden werden tot halssnoeren verwerkt en menig opperarm- of scheenbeen veranderde in een blaasintrument. De Enkhuizer arts Bernardus Paludanus (1550-1633), verzamelaar van uitheemse rariteiten, noteerde in 1617 in het trotse bezit te zijn van een fluit, ‘door kannibalen gemaakt van het scheenbeen van iemand die zij hadden opgegeten’.

Een enkele keer belandde ook een Jezuïet ‘in de kookpot’. Niet alle indianen waren gediend van de bekeringspraktijken van de Jezuïeten, omdat zij hun kannibalistische gewoonten en tradities moesten opgeven. De sjamanen, die in deze rituelen een hoofdrol speelden, werden beknot in hun macht. Zij vonden het maar vreemd dat de Jezuïeten hun God — middels de communie — wèl mochten opeten, terwijl hen het nuttigen van een mens als zonde verboden werd. Antonio Ruiz de Montoya — de man die als een tweede Mozes de uittocht van de Guarani naar veiliger oorden leidde — en zijn niet met name genoemde koster, hadden zich de toorn van een sjamaan op de hals gehaald. De Montoya wist te ontkomen, maar zijn koster moest eraan geloven…

Na verloop van tijd slaagden de Jezuïeten erin, ‘hun’ Guarani van het kannibalisme af te brengen. Maar het verlangen bleef. Toen een Jezuïet een oud indiaans vrouwtje in het uur van haar dood vroeg of zij nog ergens trek in had, verzuchtte ze dat ze wel zin zou hebben in een mals klein jongetje van het Tapuya volk — de traditionele vijanden van de Tupi. Tijdens de Nederlandse periode onder graaf Johan Maurits (1637-1644) werkten Tupi indianen tegen vergoeding op de plantages in Brazilië. Deze Tupi indianen die zich in de kuststreken gevestigd hadden, waren geciviliseerd en hielden zich — anders dan de Tupi Guarani in de binnenlanden waarmee de Jezuïten te maken hadden — niet meer met kannibalisme bezig. De Nederlanders kozen destijds overigens niet de vreedzame Tupi maar de woeste afschrikwekkende Tapuya’s (ook wel Tarairiu of Tapoeiers genoemd), die nog wel mensen aten, als bondgenoot tegen de gezamenlijke vijand: de Portugezen. (Zie hierover het artikel van Marina Marijnen in Spiegel Historiael februari 2004).

Ontmanteling

Contemporaine bronnen, zoals het in 1639 gepubliceerde succesverhaal van de missie in Zuid-Amerika van Ruiz de Montoya getiteld La Conquista espiritual de Paraguay, geven een vredig beeld van het samenleven van Jezuïeten en indianen. Armoede, ledigheid of misdaad waren er onbekend. Toch werden de reductions eind 18de eeuw met geweld ontmanteld en verwoest. Een combinatie van factoren leidde tot de val van de Jezuïeten in Europa en de daarmee verbonden verwoesting van hun werk in Zuid-Amerika.

Als beoefenaars van onderwijs en wetenschappen hadden de Jezuïeten zich in de Oude Wereld geprofileerd als een geleerde religieuze orde. Door de overzeese missie kregen zij in de Nieuwe Wereld echter steeds meer macht. Hun ambitie en succes wekten vooral in Frankrijk afgunst en tegenstand o.a. aan de Sorbonne, het Franse bolwerk van geleerdheid. In een succesvolle poging hen van de universiteiten van Parijs te weren haalde Etienne Pasquier in 1594 fel uit met zijn La Cathéchisme des Jesuites, dat — vertaald in zeven talen — een onuitputtelijke bron voor Jezuïetenhaters werd. In de loop van de 17de en vooral de 18de eeuw groeide ook bij andere groeperingen antipathie tegen de Jezuïeten, vanwege verschillende opvattingen over de leer. Blaise Pascal (1623-1662) — thans meer bekend als ‘rekenwonder’ dan als religieus geëngageerd auteur — publiceerde zijn invloedrijke Lettres Provinciales (1656), waarin hij zijn kritiek op de Jezuïeten met trefwoorden als geld, macht en seks verwoordt. Zaken die onverenigbaar zijn met de kloostergeloften van armoede, nederigheid en kuisheid. De Lettres van Pascal deden de zaak van de Jezuiëten geen goed.

Anderen stoorden zich aan de invloed die de Jezuïeten hadden door hun positie als biechtvaders van de koninklijke familie. Er verschenen publicaties die de reputatie van de Jezuïeten schaadden en die soms openlijk tot haat jegens hen opriepen. Van een aanslag op het leven van koning Lodewijk XV in 1759 kregen de Jezuïeten ten onrechte de schuld. Hier herhaalt de geschiedenis zich: in 1594 werd de Jezuïeten een soortgelijke beschuldiging voor de voeten geworpen na de moord (gepleegd door een Dominicaan) op koning Henri III. De belangrijkste reden van de Franse koning om de hetze tegen hen te steunen was geldgebrek. Voor financiën was hij afhankelijk van het parlement, dat de Jezuïeten niet gunstig gezind was. Ook in Spanje had de orde het zwaar te verduren. Karel III wendde al zijn macht aan om de Jezuïeten, die het gerucht dat hij uit overspel geboren zou zijn in omloop zouden hebben gebracht, uit te schakelen. Nadat hij de orde der Jezuïeten in 1767 had veroordeeld, hief Paus Clemens XIV in 1773 onder druk van beide vorsten de orde op.

Ook in Portugal werd stemming tegen hen gemaakt. De eerste minister Sebastiao Marquês de Pombal (1699-1782) publiceerde in 1757 een geschrift dat de Jezuïeten in een kwaad daglicht stelde. Zij zouden in Zuid-Amerika een republiek gesticht hebben, waar geld en goed in overvloed voorhanden waren, maar alleen voor henzelf. De arme Indianen werden er door hen uitgebuit, aldus Pombal. De gevolgen van deze Europese ontwikkelingen waren desastreus voor de missieposten in Zuid-Amerika. Het begin van het einde van de reductions werd ingeluid door een grensverdrag van 1750 tussen Spanje en Portugal, dat de ruil regelde van de haven van Sacramento aan de Rio de la Plata (voortaan Spaans) tegen zeven reductions, waar de Portugezen de zilvermijnen hoopten te vinden, waaruit de Jezuïeten hun vermeende rijkdom putten. Een tegen de Jezuïeten gericht pamflet had het gerucht in de wereld gebracht dat zij in Zuid-Amerika een staat gesticht hadden waar zij vele rijkdommen hadden vergaard en waar een indiaanse keizer de scepter zwaaide.

De indianen in deze zeven reductions liepen onder Portugees gezag opnieuw het gevaar in handen van de ‘Paulista’s’ te vallen. Zij schreven (geholpen door de Jezuïeten) verschillende verzoekschriften aan de gouverneur van Buenos Aires om dit grensverdrag ongedaan te maken. In het voorjaar van 1754 kwam het antwoord in de vorm van een gecombineerd Spaans-Portugees leger, dat in de slag van Caybate afrekende met de indianen. Hoewel dit grensverdrag later weer ongedaan werd gemaakt, was de kiem voor de afbraak van de missieposten van de Jezuïeten gelegd. De indianen die zich verzetten werden de dupe van ‘politionele acties’. Het geweldloze verzet van de Jezuïeten haalde niets uit. De inquisiteur van Lima beschuldigde hen zelfs van verrijking en het propageren van een polytheïstisch getinte doctrine, waardoor de indianen in het verderf werden gestort.

Zo begon in de tweede helft van de 18de eeuw op last van de regering in Madrid en goedgekeurd door de paus, de afbraak van het Jezuïetenimperium in Zuid-Amerika. Een tweede exodus kwam op gang: ontgoocheld en slechts gewapend met hun gebedenboek moesten de Jezuïeten repatriëren. De meesten van hen wachtte als banneling in Europa een sombere toekomst. Pas in 1814 kreeg hun orde eerherstel. De verbanning van de Jezuïeten had tot gevolg dat de Guarani weer aan de natuur werden teruggegeven. Enkele reductions werden nog door andere missionarissen overgenomen, maar op den duur gingen ook deze verloren. Slechts een klein percentage van de indianen bleef het christelijk geloof trouw. Alhoewel de Jezuïeten volgens tegenstanders het natuurlijke evenwicht in het leefgebied van de Guarani hadden verstoord, zijn voorstanders van de missieactiviteiten ervan overtuigd dat het overleven van de Guarani èn hun gelijknamige taal aan de Jezuïeten te danken is: door hun inspanningen zijn vele Guarani van de dood of de slavernij gered. ª

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Dit artikel is afkomstig uit:

 

TitelGeschiedenis Magazine
Jaargang:2005
Nummer:6

 

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone