Stalinistische propaganda: theorie, praktijk, resultaten

8 juni 2012 post_author;?> Leidschrift
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone


Het lijdt geen twijfel dat de Sovjet-Unie onder het bewind van Jozef Stalin onderworpen was aan een proces van Gleichschaltung in een mate die door weinig andere staten in de twintigste eeuw is geëvenaard. Er zijn regimes geweest die, gemeten aan deze dubieuze maatstaf, nog beter hebben gepresteerd.In de Democratische Volksrepubliek Korea was de bevolking jaren na dato nog niet op de hoogte van de ineenstorting van het Oost-Europese communisme.

Auteur: Erik van Ree

Een dergelijke afsnijding van de realiteit is in Stalinistisch Rusland niet bereikt en zelfs niet beoogd. Stalin zou deze vorm van kunstmatige verblinding contraproductief gevonden hebben. Desalniettemin was zijn propaganda-apparaat buitengewoon omvangrijk. Het was de bedoeling om geen enkele sfeer van de publieke opinie aan haar vrije ontwikkeling over te laten.

Wie deze kwestie beroert, raakt spoedig verzeild in het debat over het begrip totalitarisme. Was het Stalinistische regime er op uit om een totale greep over de bevolking te vestigen? En, zeker even belangrijk – zo er van een dergelijke bedoeling sprake was, in welke mate slaagde men daar dan in? Het onderhavige artikel kan gelezen worden als bijdrage aan dit debat. Het is daarbij echter niet mijn bedoeling om theoretische conclusies te formuleren, doch enkel om een aantal aspecten van de propagandistische activiteit van de Stalinistische staat te schetsen die een licht werpen op ambities en beperkingen van deze staat. Hierbij zal ik achtereenvolgens theorie, praktijk en resultaten van de propaganda de revue laten passeren. Anders geformuleerd: welke betekenis kende Stalin zelf aan propaganda toe? Hoe kreeg deze vorm? En, tot slot, in hoeverre slaagde men erin de publieke opinie daadwerkelijk te kneden?

Theorie

Propaganda kan worden beschouwd als het uitventen van de eigen overtuiging, niet op vrijblijvende basis doch met als doel het publiek van de enige juistheid daarvan te overtuigen. Propaganda hoort onlosmakelijk bij de communistische staat. Voor een deel is dit een kwestie van levensbehoud van de betreffende regimes. Een dictatuur kan immers nooit alleen op geweld rusten. Om op langere termijn een minimum aan stabiliteit te bewaren dient men zich tevens te verzekeren van de steun van althans een deel van de bevolking. De functie van propaganda is dan deze instemming te bewerken. Zij moet het regime legitimeren in de ogen van het volk.

Historisch gezien kunnen we de zaak ook vanuit een andere hoek benaderen. De door vroege communisten zoals Babeuf en Buonarotti geformuleerde staatsopvatting ging uit van de volkssoevereiniteit. Het was de bedoeling dat een democratische meerderheid zou besluiten het systeem van communistisch eigendom in te voeren. Echter, door eeuwen van obscurantische priesterheerschappij en kapitalistische misleiding was de bevolking zodanig geïndoctrineerd dat van dit laatste niet uitgegaan mocht worden.

Sterker nog, het was te verwachten dat, eenmaal aan de macht, het misleide volk zou besluiten het oude stelsel ongemoeid te laten. Daarom was een inleidende periode van verlichte dictatuur door de revolutionaire minderheid onontkoombaar. De nieuwe heersers zouden het privé-eigendom van productiemiddelen eigenmachtig afschaffen, en in de tussentijd de bevolking heropvoeden tot acceptatie van het nieuwe systeem. Na voltooiing van deze heropvoeding zou de democratie dan alsnog kunnen worden ingevoerd, zonder gevaar dat het communistische stelsel weer ongedaan gemaakt zou worden.

Kortom, Babeuf en Buonarotti stond een opvoedingsdictatuur voor ogen. Het werkelijke doel van de propaganda was de volksverheffing in communistische geest. Lenin greep later terug op dit vroeg-communistisch elitisme. Het verschil tussen propaganda ter opvoeding en ter legitimering is uiteraard maar gradueel. Het lijken twee manieren om hetzelfde principe aan te duiden. Het verschil is slechts dat het idee van een opvoedingsdictatuur suggereert dat heersers in ernst van plan zijn hun macht na succesvolle voltooiing van de indoctrinatie af te staan. Of dat in de praktijk ooit het geval zou zijn valt te betwijfelen. Praktisch gesproken doet dit echter weinig ter zake, aangezien een toestand van onomkeerbare heropvoeding nooit aanbreekt.

In zijn openbare uitlatingen toonde ook Jozef Stalin zich aanhanger van het concept van de opvoedingsdictatuur. Geheel in Lenins geest omschreef hij vakbonden, sovjets en andere massaorganisaties geregeld als “scholen van het communisme”. Door deelname aan deze organisaties kon de bevolking, uiteraard onder strikte leiding van de communistische partij, geleidelijk ervaring opdoen met bestuurlijk werk. Op het eerste gezicht paradoxaal is het feit dat Stalin zich na Lenins dood in 1924 afkeerde van diens openlijk geponeerde stelling dat in de USSR eigenlijk sprake was van een “partijdictatuur”.

Volgens Stalin had Lenin deze term slechts in metaforische zin gebruikt. De macht van de partij over de arbeidersklasse kon immers nooit op geweld berusten, doch slechts op vertrouwen.[1] Bleef de vraag wat er zou gebeuren als de arbeidersklasse weigerde dit vertrouwen te schenken. Volgens Stalin was de partijmacht in dat geval ten ondergang gedoemd. De communisten hadden in hun eigen belang dus geen andere keus dan de meerderheid der arbeiders voor zich te winnen.[2]

Interessant genoeg verwierp Stalin Lenins formule van de “partijdictatuur” niet alleen in zijn openbare redevoeringen en geschriften uit de jaren twintig, maar ook in privé-aantekeningen die alleen voor zijn eigen ogen bestemd waren. In een aantal werken van Lenin, Trotski en Kautsky, afkomstig uit zijn privé-bibliotheek die in Moskou voor onderzoekers ter inzage open staat, treffen we handgeschreven aantekeningen van de leider aan, waarin deze de stelling dat er in de USSR een partijdictatuur over de arbeiders zou bestaan als absurd van de hand wijst.[3]

Hier is duidelijk sprake van een flinke dosis zelfbedrog.Stalins papieren verwerping van het begrip “partijdictatuur” duidt uiteraard niet op enige praktische aarzeling van diens kant om deze dictatuur zo nodig met harde hand in stand te houden. Wel realiseerde de leider zich kennelijk nog beter dan Lenin dat de partij zich zonder steun van de industriearbeiders op lange termijn niet aan de macht zou kunnen handhaven. Anders gezegd, de moeite die Stalin met Lenins formule had, weerspiegelt het bijzondere belang dat hij hechtte aan het winnen van het vertrouwen van de arbeiders; en dus ook aan het opzetten van een effectief propaganda-apparaat.

Stalin is altijd uitzonderlijke waarde blijven hechten aan de propagandistische bewerking van de bevolking. Zijn doelen waren uiterst ambitieus. Het van Lenin afkomstige concept van de zogenaamde “eenheid van wil” werd door diens opvolger in eerste instantie vooral binnen de communistische partij van toepassing geacht. In de debatten van de jaren twintig benadrukte Stalin dat er onder partijleden over alle fundamentele kwesties volledige overeenstemming diende te bestaan.

Voor wie op essentiële punten anders dacht, ook als hij of zij daar geen praktisch gevolg aan gaf, was binnen de organisatie geen plaats meer. Hij gebruikte in dit verband wel de metafoor van de partij als organisme. Net als een levend wezen zou ook de partij over een verenigde wil moeten beschikken die door alle leden werd gedeeld en hen samensmeedde.

De noodzaak van propaganda onder de brede bevolking was voor de Sovjetdictator evident, en wel op grond van twee redenen. Op het zeventiende partijcongres in 1934 merkte hij op dat, na de collectivisatie van landbouw, het privé-eigendom van productiemiddelen inmiddels op zijn laatste benen liep. Men zou op grond van de marxistische gedachte van het economisch materialisme kunnen verwachten dat het bewustzijn zich hieraan zou aanpassen, en de Sovjetbevolking zich inmiddels dus en masse tot het communisme bekeerd zou hebben. Dat was volgens de leider echter een naïeve en te makkelijk veronderstelling:

‘We kunnen niet stellen dat we de rudimenten van het kapitalisme in het bewustzijn van de mensen overwonnen hebben. Dat is niet alleen niet het geval omdat het bewustzijn van mensen in zijn ontwikkeling achterblijft bij hun economische situatie; maar ook omdat er nog altijd een kapitalistische omsingeling bestaat die zich beijvert om de rudimenten van het kapitalisme in de economie en het bewustzijn van het volk van de USSR te doen herleven en te steunen.’[4]

Het communistische propagandawerk mocht dus beslist niet verwaarloosd worden. Na de Grote Terreur van 1937-8 was de communistische macht echter zodanig geconsolideerd dat het bereiken van min of meer totale ideologische eenheid van de hele maatschappij mogelijk werd geacht. Stalin duidde deze ideale staat aan als de “moreel-politieke eenheid van de samenleving”.[5]

Deze laatste formule was in die zin verrassend dat zij volgens het orthodoxe Leninisme eigenlijk ongerijmd was. Lenins voorhoedeconcept was gebaseerd op een scherpe scheidslijn tussen de partij, die het communistische idee belichaamde, en de brede arbeiders- en boerenbevolking, die nog in burgerlijke misvattingen was gevangen. Van een ideologische eenheid tussen partij en massa kon in dit in tweeën gedeelde universum dus eigenlijk geen sprake zijn.

Stalin haalde deze constructie echter onderuit door te beweren, voor het eerst al in 1935, dat men ook buiten de partij heel goed bolsjewiek kon zijn. Veel “partijloze bolsjewieken” dienden de zaak net zo trouw als partijleden. Sterker nog, volgens hem bevond de meerderheid der ware bolsjewieken zich zelfs buiten de partij. Vaak waren het juist de beste kameraden die slechts uit bescheidenheid niet tot de organisatie durfden toe te treden.[6] In 1946 legde de leider uit dat het Sovjetsysteem thans zo sterk was dat het de bevolking effectief afschermde tegen de invloed van de burgerlijke ideologie van buitenaf. Als gevolg daarvan was de partijloze bevolking even communistisch gezind als de leden der partij.[7]

Praktisch gesproken betekende dit, dat ook buiten de partij geen afwijkende ideeën meer getolereerd konden worden; hetgeen opnieuw buitengewone eisen aan de propagandamachine stelde. Kortom, of de burgerlijke ideologie nu wel of niet haar invloed op de bevolking verloren had – dat maakte weinig uit. Beide condities vormden voor Stalin alleen maar een aansporing om de propaganda te intensiveren. In de praktijk betekende dit dat de pers en het publicatiewezen in het algemeen onder strikte staatscontrole werden geplaatst ten einde de bevolking af te snijden van ongewenst geachte informatie en te voorzien van de juiste visie op de wereld.

De instelling van centrale controle over de informatievoorziening werd echter niet afdoende geacht om een monolithische eenheid van wil en opvatting te scheppen. De hele bevolking diende te worden heropgevoed aan de hand van dezelfde geschriften, die in beginsel door iedereen gelezen zouden moeten worden. Twee boeken vervulden daarbij de rol van bijbels van het stalinisme, te weten de in 1938 verschenen Geschiedenis van de Al-Unie Communistische Partij (bolsjewieken). Een Korte Cursus, en het het jaar daarop uitgekomen Jozef Vissarionovitsj Stalin. Een Korte Biografie. We weten vrij precies hoe Stalin over de functie van deze twee propagandistische werken dacht.

In een onder meer aan de Korte Cursus gewijde lezing in september 1938 merkte hij op dat het boek niet was bestemd voor gewone arbeiders maar voor de partijkaders. “Dat zijn de eersten die we op het goede spoor moeten zetten, door hen theoretisch te scholen; de rest volgt dan wel.”[8] De maand daarop meldde de leider in een andere lezing dat er te veel partijgeschiedenissen in omloop waren. Hierdoor waren de leden “in verwarring” geraakt. “Met zo’n overvloed aan handboeken bestaat er geen praktische eenheid van opvatting. […] Dat heeft allemaal maar chaos in de hoofden van de mensen geschapen.” Het Centraal Comité besloot daarom een “kompas” te creëren, een nieuw, gezaghebbend handboek, zodat er “geen twijfel meer over kan bestaan […] dat het Centraal Comité officieel aanbeveelt dat men de gedachten, opvattingen en instructies van de partij op deze wijze tot uitdrukking moet brengen.”[9]

Kort na de Tweede Wereldoorlog legde de leider aan de auteurs van zijn te herschrijven Korte Biografie uit dat dit boekje vooral bestemd was voor de minder ontwikkelde lezer. Zij voor wie zijn eigen werken vooralsnog te hoog gegrepen waren, konden hun studie van het Marxisme-Leninisme het beste met deze biografie beginnen.[10] De Korte Cursus en de Korte Biografie waren dus complementair. Het was Stalins bedoeling dat zij samen de hele bevolking, van de ontwikkelde kaders tot de gewone arbeider en boer, zouden bestrijken en zodoende de gewenste “moreel-politieke eenheid van de samenleving” tot stand zouden brengen.

Propaganda bleef trouwens geen zuiver politieke kwestie. Ook de cultuur werd ten dienste van het overtuigingswerk gesteld. De visie van de leider op kunst, die hij in oktober 1932 ten huize van Maksim Gorki uiteenzette, spreekt boekdelen. In een gezelschap van schrijvers en partijleiders merkte hij op dat het schrijverswerk even groot maatschappelijk belang had als de productie van artillerie en vrachtwagens. Het waren immers de schrijvers die zorg droegen voor het in gezonde staat houden van de geest der burgers. In zekere zin waren zij zelfs de producenten van het volksbewustzijn: “Jullie zijn de ingenieurs van de menselijke ziel.” Socialistische kunst moest zowel toegankelijk zijn als educatief van toon.[11]

Ook kunst was dus propaganda, gericht op zo effectief mogelijke beïnvloeding van lezer, luisteraar of toeschouwer. Dat niet alleen de economie maar ook de hele culturele sfeer door de staat gecontroleerd diende te worden was Stalins expliciet beleden opvatting. Het bracht hem ertoe te pleiten voor maximale staatscontrole op het totale maatschappelijk leven. Zo merkte hij in september 1938 op:

“Waarin onderscheidt onze staat zich van een burgerlijke staat? Daarin dat hij alle fundamentele sferen van de economie en de cultuur heeft geabsorbeerd. […] Hij is een gigantisch organisme van landsbestuur.”[12]

Samenvattend mogen we stellen dat propaganda voor Stalin een essentiële functie in de communistische staat vervulde. Alhoewel zijn regime in de eerste plaats op terreur was gebaseerd, had hij oog voor de noodzaak de publieke opinie voor de partij te winnen. De leider besefte dat zijn regime zonder sociale basis op termijn niet zou kunnen overleven.

Hij streefde zelfs een volkomen eenheid van opvatting onder de bevolking na, niet alleen in de strikt politieke maar ook in de culturele sfeer. Het gehele politiek-culturele leven moest propagandistisch uitgebuit worden. Daarbij maakte het weinig uit hoe sterk de vermeende burgerlijke invloed onder de bevolking nog was. Deze invloed diende onder alle omstandigheden propagandistisch bestreden te worden. Immers, zelfs als de dictatuur naar eigen opvatting een waterdichte barrière tegen de burgerlijke ideologie had gebouwd, dan diende deze barrière nog altijd in stand gehouden te worden.

Praktijk

Het laat zich begrijpen dat er in de praktijk met de hooggestemde ambities van totale eenheid en propagandistische geslotenheid geschipperd moest worden. Om te beginnen werden zelfs bij de meest absurde onderdelen van de Stalinistische propaganda zekere grenzen in acht genomen. Het beste voorbeeld hiervan is Stalins eigen persoonscultus. De propaganda voor de leider was buitensporig maar niet grenzeloos. Jozef Stalin werd vereerd als een genie van wereldformaat en een held van meedogenloze moed, maar letterlijk vergoddelijkt werd hij niet. Hij werd niet geacht, zoals later Kim Il Sung, de bomen te kunnen doen wenen of de woedende golven beschaamd te kunnen doen zwijgen. Bij zijn geboorte was er geen ster opgelicht.

De voornaamste beperking die Stalin zelf aan zijn publieke cultus stelde was dat hij altijd zou worden getoond als volgeling van Lenin en dienaar van de partij. Hij ontleende zijn legitimiteit aan zijn trouw aan de zaak, niet aan een vermeende originaliteit. In het eerder genoemde gesprek met de auteurs van de Korte Biografie, dat zich afspeelde in december 1946, karakteriseerde Stalin de versie van 1939 als een boek voor “afgodendienaren”.

Hij zag er te veel aandacht voor hemzelf in en te weinig voor de partij. Met name maakte hij bezwaar tegen het feit dat aan hem tien originele bijdragen aan de ontwikkeling van het Marxisme-Leninisme werden toegeschreven. Weliswaar had hij de leer hier en daar geconcretiseerd, maar groter waren zijn theoretische verdiensten toch niet. Alleen op het gebied van de staat had hij, zo beweerde hij althans, iets nieuws gebracht ten opzichte van Lenin. De leider eiste dat de nieuwe versie, die het jaar daarop verscheen, in deze zin aangepast zou worden; hetgeen uiteraard gebeurde.[13]

De Stalin-cultus was daarnaast in die zin beperkt dat de leider zijn roem moest delen met ontelbare anderen, al verhield zijn publieke imago zich dan tot het hunne als de zon tot de sterren. De cultus van de leider stond niet op zich zelf. Ook de andere partijleiders werden publiekelijk vereerd met portretten, beelden en lofprijzingen, zij het op veel bescheidener schaal dan de Grote Leider. Het fenomeen van de cultus strekte zich zelfs uit tot de basis van de samenleving, waar zogenaamde arbeidshelden in hun bedrijven, en soms nog daarbuiten, grote verering ten deel viel. Hoe absurd de propaganda voor de persoon van Stalin ook was, door deze context was toch, misschien ongewild, van een zekere relativering sprake.

De diepste achtergrond van dit (overigens zeer beperkte) relativisme kan misschien worden ontdekt in de leer van het Marxisme-Leninisme zelf. Deze is absolutistisch te noemen. Haar volgelingen waren van oordeel dat zij beschikten over de objectieve waarheid. De wetten van natuur en maatschappij die het Marxisme-Leninisme pretendeerde te hebben ontdekt, en die in het zogenaamde dialectisch en historisch materialisme waren samengevat, waren absoluut waar en mochten door niemand in twijfel worden getrokken. Omdat het Marxisme-Leninisme echter niet als goddelijke openbaring doch als wetenschap werd gepresenteerd was het onmogelijk om diegene die de leer ontwikkeld hadden, zelfs de grote Marx en Lenin, als onfeilbaar voor te stellen. Dat te doen zou, paradoxaal genoeg, juist de claim van wetenschappelijkheid onderuit gehaald hebben.

Gesteld moet worden dat Stalins in zijn aan religieuze aanhankelijkheid grenzende trouw aan Lenin zo ver ging dat hij er bij tijd en wijle dicht bij kwam zijn voorganger voor onfeilbaar te verslijten. Het meest extreme voorbeeld hiervan is een artikel uit 1931 in het tijdschrift Proletarskaja revoljoetsia, waarin hij kritiek op Lenin verbood en diens bolsjewisme tot “axioma” verklaarde.[14] De dictator had er echter weer geen probleem mee om Friedrich Engels in het openbaar af te vallen en op diens vermeende fouten te wijzen. Hij zelf werd in elk geval, ondanks de onmogelijkheid om hem publiekelijk te bekritiseren, nooit onfeilbaar verklaard.

Een paradox is ook dat juist vanwege de pretentie van wetenschappelijke objectiviteit van de marxistisch-leninistische leer een absoluut verbod op debat ondenkbaar was. De ruimte voor debat in Stalinistisch Rusland werd, al was deze dan uiterst beperkt, nooit tot nul teruggebracht. Ten einde beter zicht te krijgen op de mate waarin de Stalinistische propagandastaat haar burgers een gesloten wereldbeeld voorhield, is het verhelderend het verloop van een aantal publieke debatten onder de loep te nemen. Dergelijke debatten bestonden namelijk wel, al waren ze dan aan ernstige restricties onderworpen. Als voorbeeld neem ik de ontwikkelingen in de wereld van de wetenschap in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.

Het meest typerende geval betreft de biologie. Het is bekend dat de wetenschappelijke genetica in augustus 1948 op een conferentie van de Academie van Landbouwwetenschappen in de ban werd gedaan. Het was het moment van triomf van de charlatan Trofim Lysenko. Deze beweerde dat de erfelijke aanleg van planten door manipulatie van omgevingsfactoren in de gewenste richting kon worden gestuurd. Dat erfelijkheid door spontane mutaties wordt veranderd was volgens hem een metafysische misvatting die een praktisch georiënteerde landbouw in de weg stond. In werkelijkheid bracht Lysenko’s op de verouderde gedachte van Lamarck gebaseerde theorie zowel de Sovjetbiologie als de landbouw ernstige schade toe.

Lysenko’s triomf kwam tot stand door directe interventie van Stalin. In oktober 1947 schreef de leider hem een brief waarin hij hem steun toezegde in zijn strijd tegen de klassieke genetica en hem verzekerde dat “zij die ontkennen dat verworven eigenschappen overerfbaar zijn het beste maar genegeerd kunnen worden”.[15]

Rond diezelfde tijd deelde hij ook aan Joeri Zjdanov, chef van het Departement van Wetenschap van het partijsecretariaat, mede dat het idee dat erfelijkheid onbeïnvloedbaar was door manipulatie van het milieu verworpen moest worden. Opmerkelijk genoeg durfde Zjdanov het in april 1948 echter aan om in een speech de Lysenko-school aan scherpe kritiek te onderwerpen. Stalin ontstak daarop in woede en overlaadde hem tijdens een Politbureaubijeenkomst twee maanden later met hoon.[16] De maat was nu kennelijk vol voor de leider. Hij redigeerde persoonlijk de speech die Lysenko voordroeg op de fatale bijeenkomst van augustus.[17]

Na de conferentie was het gedaan met de relatieve vrijheid van debat in de biologie. De genetici werd de mond gesnoerd. Eerder hadden zij echter nog wel kunnen spreken. Al koesterde hij ook toen al sympathie voor de Lamarckistische gedachte, tijdens de jaren dertig had Stalin de genetici nog aan het woord laten komen. Het was de Lysenko-groep in die jaren niet gelukt om hun dominantie te vestigen.

En na 1948 werd het monopolie van deze groep spoedig al weer doorbroken. Stalins motief om zich volledig achter de zogenaamde “agrobiologen” te stellen was van praktische aard geweest. Hun theorie over de manipuleerbaarheid van gewassen beloofde resultaat. Toen dit resultaat echter uitbleef bekoelde het enthousiasme van de leider. In de zomer van 1952 gaf hij Zjdanov opdracht “het monopolie van Lysenko in de biologie te liquideren”.[18] Vanaf dat moment verschenen er weer artikelen in de Sovjetpers waarin de “agrobiologie” op de hak werd genomen.[19]

Deze geschiedenis is verhelderend in twee opzichten. Om te beginnen toont zij Stalins almacht duidelijk aan. De leider was in staat en bereid in te grijpen in een wetenschappelijk debat en één stroming volledig de mond te snoeren. Was zijn besluit eenmaal genomen, dan kon daar niet aan getornd worden. Vanaf dat moment was de Sovjetpers propagandistisch gestroomlijnd langs monolithische lijn. Het publiek werd afgesneden van elke informatie die de correct geachte visie zou kunnen aantasten.

Maar aan de andere kant waren het juist Stalins eigen machtsmotieven die een langdurig propagandistisch monopolisme van één wetenschappelijke stroming in de weg stonden. Macht vereist een sterke landbouw, een sterke industrie, een sterk leger. En in de moderne tijd vereist dat een krachtige wetenschappelijke ontwikkeling. Het afwurgen van wetenschappelijk debat of het op ideologische gronden heilig verklaren van één wetenschappelijke stroming is funest voor zo’n ontwikkeling en daarmee, vaak al op korte termijn, ook voor de economische en militaire versterking van de staat. Anders gezegd, Stalin kon het zich niet permitteren om Lysenko onbeperkt zijn waanvoorstellingen te laten botvieren. De prijs van een totaal gelijkgeschakelde wetenschap was onaanvaardbaar hoog.

Nog duidelijker was dit mechanisme zichtbaar in de fysica. In de herfst van 1948 kwamen de relativiteitstheorie en de kwantummechanica onder vuur te liggen. Zij zouden geschraagd zijn door “idealistische” en “kosmopolitische” vooronderstellingen. Het lag in de bedoeling van de partijleiding om deze theorieën te laten veroordelen op een wetenschappelijke conferentie begin 1949. De prominente kernfysicus Koertsjatov overtuigde Beria er echter van dat hij zonder relativiteitstheorie en kwantummechanica de atoombom wel kon vergeten.

Toen Beria Stalin hiervan op de hoogte stelde werd de conferentie prompt afgeblazen.[20] In de Sovjetpers bleven artikelen verschijnen die de moderne natuurkunde op ideologische gronden onder vuur namen, maar deze werden nooit tot één propagandistische lijn geïntegreerd. Het debat kon in de natuurkunde voortgang vinden.

Soms nam het toestaan van meer debat wel erg paradoxale vormen aan, namelijk door een autocratische interventie van Stalin. Zo hadden de linguïstische theorieën van Nikolaj Marr jarenlang het alleenrecht gehad in de USSR – tot de dictator er in 1950 zelf korte metten mee maakte. De linguïsticus Arnold Tsjikobava, slachtoffer van de dictatuur van de Marr-groep, had Stalin attent gemaakt op de vermeende absurditeiten in het Marrisme.

De dictator liet zich overtuigen en bombardeerde de stroming publiekelijk tot links-radicale humbug.[21] In zijn essay over linguïstiek karakteriseerde Stalin het (overigens door hemzelf bewerkstelligde) monopolie van Marr als een “Araktsjejev-regime”, en hij toonde zich verontwaardigd over de afwezigheid van debat.[22] Volgens David Joravsky nam de academische vrijheid daarna inderdaad enigszins toe, omdat Stalin inzag dat de wetenschap anders te veel te lijden zou hebben. Al waren nu dan Marrs theorieën weer taboe geworden.[23]

Ook in de economische wetenschap was sprake van een ambivalent beeld. In zijn al uit 1980 stammende studie over het economische beleid in de jaren 1945-53 heeft Timothy Dunmore overtuigend aangetoond dat er vanaf 1946 een serieus debat plaats vond tussen Sovjeteconomen over de vraag of het primaat van de zware economie gehandhaafd moest worden. Het standpunt dat de overgang naar het communisme een overvloed aan consumptiegoederen, en daarmee meer prioriteit voor de lichte industrie, vereiste, mocht worden verdedigd zonder onmiddellijk als “contrarevolutionair” te worden onderdrukt.[24]

In november en december 1951 was Moskou het toneel van een grote conferentie van economen tijdens welke de hele “politieke economie” werd doorgelicht. De bijeenkomst zag een discussie met relatief weinig taboes. Zo werd bijvoorbeeld het ketterse standpunt gehoord dat ook in een socialistisch land de verhouding tussen de investeringen in de diverse industriële sectoren het beste door prijsverhoudingen en vraag en aanbod bepaald kon worden.[25]

Naar verwachting zou Stalin zelf komen opdagen om zijn licht over de materie te laten schijnen, maar deze verwachting kwam niet uit. In februari 1952 stelde de leider echter het Politbureau op de hoogte van zijn ontevredenheid over de gang van zaken op de conferentie.[26] In oktober van dat jaar publiceerde hij zijn eigen visie op de problematiek in een serie artikelen, gebundeld onder de titel Economische Problemen van het Socialisme in de USSR. Daarmee werd het economische debat abrupt afgebroken. De Grote Leider had gesproken en zijn woord werd alom bejubeld. Een econoom die het had gewaagd te suggereren dat Marx’ schema’s niet onverkort meer op de USSR van toepassing waren werd zelfs gearresteerd wegens theoretische misdaden.[27]

Dit korte overzicht van het door de Sovjetstaat gevolgde beleid ten aanzien van de wetenschappen na de Tweede Wereldoorlog toont ons een zekere conjunctuur van debat en monolithisme. Perioden van relatieve vrijheid werden afgewisseld door jaren waarin de staatsorganen zich gesloten achter één dogma stelden. Persoonlijke interventie van Stalin was daarbij meestal het beslissende moment. Gesteld moet worden dat ook in de ruimere jaren de vrijheid van zeer relatieve aard was.

Het was bijvoorbeeld onmogelijk te pleiten voor herstel van het kapitalisme of afzetting van Stalin. Dergelijke pleidooien zouden onherroepelijk tot concentratiekamp of vuurpeloton voeren. Dit gezegd zijnde, is echter duidelijk dat van een door de jaren heen eenduidige propagandistische lijn, geworteld in een volledige “moreel-politieke eenheid van de samenleving”, nooit sprake was. Dit streven liet zich praktisch gesproken niet effectueren.

Resultaten

Als we ervan uitgaan dat deze laatste algemene conclusie inderdaad kan worden getrokken op grond van de hier besproken voorbeelden; als ook in de andere jaren van het Stalin-regime en in andere sferen van de samenleving dus van een dergelijke conjunctuur sprake was; als de Sovjetoverheid dus wel streefde naar een zeker monolithisme in haar propaganda maar dat nooit geheel kon bereiken – dan dringt zich de vraag op hoe monolithisch de Sovjetpublieke opinie als resultaat van deze staatspropaganda eigenlijk was. Hierover zijn de afgelopen jaren enkele interessante studies verschenen met verrassende resultaten. In haar Popular Opinion in Stalin’s Russia bespreekt Sarah Davies de jaren 1934-41. De Russische onderzoekster Elena Zubkova sluit hier met haar Russia after the War tot op zekere hoogte op aan.

Davies baseert haar onderzoek naar de publieke opinie onder Stalin voornamelijk op de thans ter inzage liggende rapporten van de NKVD en de informatiedepartementen van de partij en de jongerenorganisatie Komsomol. Deze instanties hadden de taak de reacties van het publiek op politieke gebeurtenissen en beleid te peilen, zodat de propaganda effectiever gericht zou kunnen worden. Men noteerde gesprekken, geruchten en grappen die onder de bevolking de ronde deden. Davies’ voornaamste conclusie is dat er zoiets als een relatief autonome publieke opinie bestond. De hegemonie van het bewind was dus verre van alomvattend. De Sovjetbevolking was verdeeld als het om belangrijke vraagstukken ging. Dit is interessant vanuit twee oogpunten. Zowel het feit dat het regime bij een deel van het publiek op hartelijke steun kon rekenen, als het feit dat anderen het vervloekten, is opmerkelijk.

Wanneer we als eerste voorbeeld weer Stalins persoonscultus nemen, dan heeft  Davies opinies aangetroffen over de volle breedte. Er waren er die spraken, en kennelijk dachten, in de termen van de cultus. Stalin was “het Grootste Genie, Hoofd en Hart” van het land. Er waren er zelfs die verder gingen dan de cultus eiste. Zij baden voor Stalins beeltenis, een praktijk die door de partij-agitators werd veroordeeld als achterlijk, religieus rudiment. We ontmoeten een Moscoviet die over de leider spreekt als “Zonneschijn-Geluk” en niet aarzelt hem een god te noemen.

Maar er waren ook burgers die hem belachelijk maakten als “Jozef de Eerste, Keizer van Alle Russen” of als “de Generaal van ons Ongelukkige Leven”. Davies classificeert de reacties van de bevolking op de leider in twee grote categorieën – positief en negatief. Onder de positieve maakt zij onderscheid in drie archetypen, namelijk Stalin als weldoener, als de traditionele beschermer van het volk en als charismatisch leider. Onder de negatieve reacties herkent ze onverschilligheid tegenover de cultus, kritiek erop en regelrecht subversieve conversatie van hen die bijvoorbeeld hoopten dat Stalin, gelijk de Leningradse partijleider Sergej Kirov, vermoord zou worden.[28]

Er was geen belangrijk terrein van politiek of samenleving waarop geen aanzienlijke kritiek op het beleid onder de bevolking leefde. Na de hongersnood van 1933-4 was verontwaardiging over de schijnheilige beweringen van de partij over de stijgende levensstandaard duidelijk hoorbaar: “De speeches zijn goed maar er is geen brood.” Toen de situatie iets verbeterde en eind 1935 de rantsoenering werd afgeschaft klaagde men weer dat deze stap vooral de beter betaalden ten nutte kwam.

Met de Stachanovisten, de arbeidshelden, werd de draak gestoken en veel arbeiders waren sceptisch over de zin van de campagnes om alsmaar hogere productierecords te vestigen. Aan het einde van de jaren dertig keerde de publieke opinie zich geleidelijk tegen het bewind vanwege aanhoudende economische problemen. Opmerkelijk is ook het feit dat de in 1938 en 1940 ingevoerde draconische maatregelen om de arbeidsdiscipline te versterken regelrecht verzet opriepen. Davies maakt melding van pamfletten en stakingsoproepen waarin kreten zoals “Weg met de regering van onderdrukking en armoede” niet ongewoon waren.[29]

Het landbouwbeleid, de houding van het regime tegenover vrouwen, onderwijs, godsdienst, het nationaliteitenvraagstuk – geen terrein was vrij van controverse. Zelfs het buitenlands beleid van het Sovjetbewind werd kritisch gevolgd. Een veel gehoorde gedachte was dat een eventuele nieuwe oorlog het positieve effect kon hebben dat het communistische regime aan het wankelen zou raken, gelijk in 1905 en 1917 met de tsaristische regering was gebeurd.

Naast patriottische reacties riep de Finse oorlog van 1939-40 ook commentaren op zoals: “De onschuldigen sterven aan het front, en die schoften van leiders zitten op de achterbank”, of: “Onze soldaten zouden de bolsjewieken moeten afmaken in plaats van de Finnen.” Ook steun aan de Spaanse republiek stuitte bij velen op afkeuring. Het geld zou beter besteed kunnen worden om de binnenlandse nood te lenigen. Opmerkelijk genoeg was er veel sympathie voor Hitler. De Duitse dictator werd gezien als een krachtdadige en dynamische leider, en als een overtuigd antisemiet – dat laatste werd dan een pluspunt geacht.[30] Uit Davies’ studie blijkt zonneklaar dat de door Stalin na de Grote Terreur geproclameerde “moreel-politieke eenheid van de samenleving” hooguit in diens eigen verbeelding bestond.

Na de Tweede Wereldoorlog was de patriottische steun voor de Sovjetregering sterk toegenomen. Ook nu echter kwam er geen monolithisme tot stand, hoe graag Stalin dat zelf ook gezien zou hebben. Zubkova typeert de publieke opinie van het eerste decennium na 1945 als één van “conflict tussen verwachting en realiteit.” Het was precies de nieuwe identificatie met het regime die de teleurstelling bitter maakte. De broodprijsverhogingen van september 1946 en de hongersnood van 1946-7 riepen scherpe reacties op.

Dat droogte en slechte oogst een rol speelden, daarvoor bestond nog wel begrip. Maar dat de USSR doorging met het bieden van voedselhulp aan andere landen werd onaanvaardbaar geacht. Opmerkelijk was echter dat veel arbeiders meenden dat Stalin niet op de hoogte was van het gevoerde beleid. De regering was in handen gevallen van “saboteurs” die de leider in onwetendheid hielden.[31] Volgens Zubkova nam het vertrouwen in Stalin onder de massa van de bevolking zelfs geleidelijk toe in de jaren na de oorlog, en wel naarmate het vertrouwen in het regime als geheel afnam. Onder het volk bestond een overtuiging dat hun ongeluk te wijten was aan “duistere krachten” die ook Stalin bedrogen. De gezondheid van de leider was tevens voorwerp van voortdurende bezorgdheid.[32]

Zubkova lokaliseert een negatieve omslag in de publieke opinie rond 1947-8. De overwinningsroes was uitgewerkt; het appèl op de geest van opoffering had zijn kracht verloren. De burgers meenden dat de tijd gekomen was om te gaan profiteren van de vrede en waren teleurgesteld toen werkelijke verbeteringen uitbleven.[33] Enquêtes op scholen en universiteiten wezen uit dat jongeren meer belangstelling hadden voor persoonlijke thema’s zoals liefde en vriendschap dan voor socialistische maatschappelijke idealen, een situatie die de autoriteiten als verontrustend ervoeren.

Er vormden zich illegale jeugdgroepjes onder romantische namen zoals De Italiaanse Republiek of Sneeuwwijn. Zubkova spreekt van een “catacombe-cultuur”. Hier en daar ontwikkelden zich zelfs radicale, antistalinistisch getinte jongerenclubs, getooid met heroïsche etiketten zoals de Communistische Partij van de Jeugd of het Leger van de Revolutie. Stalin werd door deze jeugdige rebellen afgedaan als een nieuwe Napoleon. Deze pogingen eindigden zoals te verwachten was: voor het vuurpeloton of in het kamp.[34]

Om de publieke opinie aan zijn kant te houden liet Stalin vanaf 1947 jaarlijks prijsverlagingen doorvoeren. Dit beleid was effectief: velen raakten ervan overtuigd dat de leider oprecht begaan was met hun lot. Tegelijk echter bleef de teleurstelling over de uitblijvende democratisering bestaan. De hoop daarop was door toegenomen internationale contacten gegroeid. Volgens Zubkova verbreidden democratische aspiraties zich ook onder de arbeidersbevolking. In de vroege jaren vijftig richtte onvrede zich geleidelijk minder op het lage levenspeil dan op de afwezigheid van inspraak in het bedrijfsbeleid; al leidden eisen in die richting tot weinig resultaat.[35] Al met al bleef ook na de Tweede Wereldoorlog de publieke opinie een relatief autonome factor in de Sovjetsamenleving. De regering trok zich er niet veel van aan, maar kon haar ook niet negeren.

Conclusie
 
In de inleiding merkte ik op dat ik me niet zou wagen aan theoretische bespiegelingen over het totalitarismebegrip. Ik zal me hier aan houden, maar wil toch enkele concluderende opmerkingen maken. Wat ik heb geschetst, is het bestaan van een soort “verloop” van het totalitaire ideaal van “moreel-politieke eenheid van de samenleving”; via een praktijk van staatspropaganda waarin perioden van bijna totaal monolithisme werden afgewisseld door perioden van, overigens zeer begrensde, pluriformiteit; naar een publieke opinie waarin de volle range van opvattingen aangetroffen werd, van uiterst sympathiek tot zeer vijandig tegenover het regime. Er was sprake van een breuk tussen het beklemmende ideaal van totale eenheid van partij en bevolking en de weerbarstige werkelijkheid.

De Stalinistische ideologie kende zelf enkele inherente bijzonderheden, zoals paradoxaal genoeg haar wetenschappelijke pretenties, die een volledig sluiten van het maatschappelijk debat onmogelijk maakten. Dit was extra het geval omdat, in een volgende paradox, totale gelijkschakeling de effectieve inzet van bijvoorbeeld de wetenschap voor het regime verhinderd zou hebben. En waar een compleet monolithische propaganda dus al onbereikbaar was, was het totaal beheersen van de publieke opinie dat helemaal. Elk totalitair regime leert door schade en schande hetzelfde: hoe hard men ook kneedt, echt tot was in zijn handen worden de onderdanen nooit.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

 Afkomstig uit:
 

Titel:     Stalinistische propaganda: theorie, praktijk, resultaten   
Nummer:Een systeem onder spanning. De USSR onder Staling en Brezjnev 
Jaargang:  16.3
 
 

Download het gehele nummer op onze website: 

  

 

 

 

 

Noten:

[1] I.V. Stalin, Sotsjinenia, deel 8, 1926 janvar-nojabr (Moskou 1948), 32, 37, 40-44. [Sotsjinenia] Zie ook: deel 6, 258.

 

[2] Ibidem, deel 8, 49-52, 55; deel 9, 79-80; deel 10, 100-3.

 

[3] Zie voor een overzicht van deze aantekeningen mijn artikel over Stalins bibliotheek: “Stalin and Marxism: A Research Note”, Studies in East European Thought 49 (1997), 28-9.

 

[4] Sotsjinenia, deel 13, 349.

 

[5] Istoria Vsesojoeznoj kommoenistitsjeskoj partii (bolsjevikov). Kratki koers (Moskou 1938), 329. Zie ook: I.V. Stalin, Sotsjinenia, deel 1[XIV], 1934-1940 (Stanford, California 1967), 344, 346, 367 [Sotsjinenia].

 

[6] Zie een speech van 4 mei 1935: Rossiski Gosoedarstvenny Archiv Sotsialno-Polititsjeskoj Istorii: f.71, op. 10, d.218, 1.18. [RGASPI] Zie ook Sotsjinenia, deel 1[XIV], 65-6. Zie ook Stalin in maart 1938: “Pjoe za tech, kotorye chotiat zjit”, Istotsjnik 4 (1998), 86.

 

[7] Sotsjinenia, deel 3[XVI], 21.

 

[8] RGASPI, f.71, op.10, d.130, ll.121.

 

[9] Zie: N.N. Maslov, “I.V. Stalin o ‘Kratkom koerse istorii VKP(b)’”, Istoritsjeski archiv 5 (1994), 7-8, 14, 26-7.

 

[10] Leonid Maksimenkov, “Koelt. Zametki o slovach-simvolach v sovetskoj polititsjeskoj koeltoere”, Svobodnaje mysl 10 (1993), 34-55; N.N. Maslov, “Iz istorii rasprostranenia stalinizma”, Voprosy istorii KPSS 7 (1990), 107n.

[11] A. Kemp-Welch, Stalin and the Literary Intelligentsia, 1928-39 (Houndmills 1991), 128-31.

 

[12] RGASPI, f.71, op.10, d.130, ll.122-5.

 

[13] Maksimenkov, “Koelt…”, 35. Zie ook “I.V. Stalin sam o sebe. Redaktsionnaja pravka sobstvennoj biografii”, Izvestia TsK KPSS 9 (1990).

 

[14] Sotsjinenia, deel 13, 85.

 

[15] RGASPI, f.558, op.1, d.5325, .66-7.

 

[16] Zie Joe.A. Zjdanov, “Vo mgle protivoretsji”, Voprosy filosofii 7 (1993), 69-71, 74f, 82-3; Nikolai Krementsov, Stalinist Science (Princeton, New Jersey 1997), 153, 166-7; “Iz istorii borby s lysenkovsjtsjinoj”, Izvestia TsK KPSS 7 (1991), 112.

 

[17] Kirill O. Rossianov, “Stalin as Lysenko’s Editor: Reshaping Political Discourse in Soviet Science”, Russian History 1 (1994).

 

[18] Zjdanov, “Vo mgle protivoretsji”, 88-9.

 

[19] Zie ook: David Joravsky, The Lysenko Affair (Cambridge M. 1970), 151f.

 

[20] Anatoly Sonin, “How the A-bomb saved Soviet physicists’ lives”, Moscow News 13 (1990); Krementsov, Stalinist Science, 277-9; David Holloway, Stalin and the Bomb. The Soviet Union and Atomic Energy. 1939-1956 (New Haven, London 1994), 208-11; Alexei Kojevnikov, “Rituals of Stalinist Culture at Work: Science and the Games of Intrapartry Democracy circa 1948”, The Russian Review 1 (1998), 45.

 

[21] Zie: Vera Tolz, Russian Academicians and the Revolution. Combining Professionalism and Politics (Houndmills 1997), 106.

 

[22] Sotsjinenia, deel 3[XVI], 144-5.

 

[23] Joravsky, The Lysenko Affair, 151f.

 

[24] Timothy Dunmore, The Stalinist Command Economy. The Soviet State Apparatus and Economic Policy 1945-53 (London, Basingstoke 1980), 109-11.

 

[25] L.A. Opjonkin, “I.V. Stalin: posledni prognoz boedoesjtsjego”, Voprosy istorii 7 (1991), 119-21; Avenir Solovjov, “Stalin i sotsializm: knigi i dela”, Knizjnoje obozrenië 14 (1996), 9.

 

[26] Opjonkin, “I.V. Stalin…”, 116, 122-3.

 

[27] A. Nikitin, “Kak ja stal poslednoj zjertvoj”, Pravda 29 September 1989.

 

[28] Sarah Davies, Popular Opinion in Stalin’s Russia. Terror, Propaganda and Dissent, 1934-1941 (Cambridge 1997), Part III.

 

[29] Ibidem, hoofdstuk 1.

 

[30] Ibidem, hoofdstuk 5.

[31] Elena Zubkova, Russia after the War. Hopes, Illusions and Disappointments, 1945 – 1957 (Armonk, London 1998), hoofdstuk 4.

 

[32] Ibidem, hoofdstuk 8.

 

[33] Ibidem, 102.

 

[34] Ibidem, hoofdstuk 12.

 

[35] Ibidem, hoofdstuk 14.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone