Anselmus en zijn ‘ontologisch godsbewijs’
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

In de eeuwen nadat Augustinus (354-430) had gezocht naar een verzoening tussen geloof en rede, vond er een intellectuele en culturele teloorgang plaats in het politiek instabiele Europa. Vanaf de 8e eeuw trad een herstel in en werden langzaam maar zeker de oude grote denkers ‘herontdekt’. Tijdens de ‘12e-eeuwse Renaissance’ deden filosofen nieuwe pogingen om theologische vraagstukken op een rationele manier te doorgronden. Anselmus was één van hen.

Anselmus van Canterbury (1033-1109) was een Italiaanse filosoof en Benedictijner monnik. De tijd waarin hij furore maakte als denker, wordt ook wel de ‘12e-eeuwse Renaissance’ genoemd, een periode van intellectuele heropleving die al werd ingezet in de 11e eeuw. Op 23-jarige leeftijd verliet Anselmus zijn ouderlijk huis in Aosta, trok via de Alpen door Frankrijk en kwam uiteindelijk terecht in Normandië. Daar ging hij leven volgens de leer van de heilige Benedictus (480-547) die net als Augustinus een bepalende invloed had op de ontwikkeling van Anselmus’ gedachtegoed.

Rationalisering

De geleidelijke toename van kennis over de klassieke filosofie resulteerde in een rationalisering van het middeleeuwse gedachtegoed, die eeuwenlang in het teken van de Bijbelse openbaring had gestaan. Deze ontwikkeling liet ook het denken van Anselmus niet ongemoeid. Hij zag het als zijn uitdaging om te proberen alles in de wereld met zijn verstand te verklaren: sola ratione, enkel met de rede. Het bekendste voorbeeld van zo’n poging is zijn ‘ontologische godsbewijs’.

God ‘logisch verklaren’

De vrome Anselmus, die in 1089 aartsbisschop van Canterbury werd, geloofde ‘vanzelfsprekend’ in God. Dat niet iedereen dat deed leek hem te storen, en bracht hem op het idee dat de Bijbelse openbaring blijkbaar niet voldoende was om mensen in te laten zien dat God bestond. Daarom deed hij een poging God op een ‘logische’ manier te verklaren. Vanuit de overtuiging dat alles met de rede verklaard zou kunnen worden, wilde Anselmus ‘enkel met de rede’ God verklaren.

Ontologisch godsbewijs

Allereerst bepaalde hij een definitie voor ‘God’. Voor Anselmus stond het buiten kijf dat God het ‘volmaaktste wezen’ was. Hij verwoordde dit als volgt: God = id quo maius non possit (IQM), oftewel God is ‘iets waarboven niets groters gedacht kan worden’. Voor de filosoof vormde zijn eigenhandig geformuleerde omschrijving, ‘God = IQM’, al genoeg aanleiding om te kunnen zeggen dat God bestond.

God bestaat noodzakelijk’

Stel namelijk dat God op één of andere manier niet bestaat. Omdat we wel over God na kunnen denken, zou dat betekenen dat God alleen maar bestaat als ‘idee’. Dan zou God echter niet meer het ‘volmaaktst’ kunnen zijn. Aangezien [het idee God + een bestaande God] logischerwijs ‘groter’ en dus ‘volmaakter’ is dan alleen maar [het idee God], moet dat wel betekenen dat God ook in werkelijkheid bestaat.

Anders geformuleerd: omdat ‘bestaan’ per definitie beter is dan ‘niet-bestaan’, kan iets dat niet bestaat ook niet volmaakt zijn. Aangezien een niet-bestaande God dus minder volmaakt zou zijn dan een bestaande God, móest God volgens Anselmus wel bestaan. Want dat God nu eenmaal het volmaaktste wezen is, was voor hem geen punt van discussie.

Anselmus in dispuut

Anselmus in dispuut

Logische verklaring?

Natuurlijk zitten er heel wat haken en ogen aan de manier waarop Anselmus tot zijn ‘logische verklaring’ van het bestaan van God kwam. Bij de ontwikkeling van zijn theorie waarmee hij het bestaan van God rationeel aan wilde tonen, speelde hij behoorlijk vals. Als overtuigd christen veronderstelde hij met zijn formule ‘God = IQM’ immers al dat er een God bestond. En vanuit dat idee zocht hij naar een rationele verklaring. Vanuit een specifiek begrip van God, namelijk God als ‘volmaaktste wezen’, kon hij vervolgens heel simpel en ‘logisch’ afleiden dat God wel moest bestaan.

Het is daarbij goed om te weten dat volgens Anselmus mensen de wereld misschien anders konden ‘ervaren’, maar dat het uitgesloten was dat mensen verschillend konden ‘denken’. Ongelovigen hoefden dus eigenlijk alleen maar te beseffen wat het woord ‘God’ eigenlijk inhield. Als dat door zou dringen, zouden ze niets anders meer kunnen dan geloven in God.

Gaunilo’s ‘mooiste eiland’

Het grootste probleem van het ontologische godsbewijs van Anselmus, is zijn aanname dat iets in werkelijkheid bestaat op het moment dat er een voorstelling van kan worden gemaakt. Deze conclusie is echter allesbehalve logisch. Een tijdgenoot van Anselmus, de monnik Gaunilo van Marmoutier, toonde dit aan met zijn theorie over het ‘mooiste eiland’. Ook in het geval van zo’n eiland zou je kunnen zeggen: ‘volmaakt eiland = IQM’. Toch zou het absurd zijn om aan te nemen dat dit volmaakte eiland, zoals wij die in gedachten voor ons zien, in werkelijkheid wel móet bestaan, enkel en alleen omdat we er een voorstelling van kunnen maken.

Toch is dat precies wat Anselmus deed met zijn ontologische godsbewijs. Zijn constructie was dan wel ‘rationeel’ en ‘logisch’, de conclusie die hij hieruit trok, dat al het denkbare ook daadwerkelijk moet bestaan, was volstrekt onlogisch. Ondanks dat was Anselmus, die in 1494 nog heilig werd verklaard door paus Alexander VI, toch de eerste persoon die een poging deed om God sola ratione te begrijpen.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone