Aristoteles en het belang van de waarneming
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

In de 4e eeuw voor Christus ontpopte de jonge Aristoteles (384-322 voor Christus) zich als de meest getalenteerde student aan de Academie van Plato. Hij liet zich inspireren door de denkbeelden van Plato, maar zag diens filosofie vooral als een uitdaging. Aristoteles was de laatste van de drie grote Griekse denkers, en legde met zijn uitvoerige filosofische overdenkingen een belangrijke basis voor de westerse filosofische traditie.

Aristoteles wordt gezien als een homo universalis. Hij hield zich namelijk bezig met vrijwel alle wetenschappen die destijds beoefend konden worden, van filosofie tot wiskunde en van natuurwetenschappen tot letterkunde. In tegenstelling tot zijn leermeester Plato, die gefascineerd was door abstracte, ‘eeuwige vormen’, had Aristoteles vooral belangstelling voor de concrete, levende natuur. Waar Plato redeneerde vanuit het menselijk verstand, gebruikte Aristoteles de empirische waarneming als uitgangspunt van zijn filosofische project.

Plato versus Aristoteles

Plato maakte onderscheid tussen een zintuiglijke werkelijkheid, de wereld zoals wij die ervaren, en een verheven, abstracte wereld van de ‘eeuwige ideeën’. Iedere concrete waarneming vormde volgens hem een afspiegeling van dat wat ‘echt’ bestaat in die ideeënwereld. Volgens Aristoteles bleef Plato daarmee teveel in een mythisch wereldbeeld hangen. Aristoteles was iets nuchterder: voor hem vormde de waarneembare wereld om hem heen gewoon de ‘echte’ werkelijkheid, en werden abstracte ideeën juist op basis van deze wereld gevormd. 

Belang van zintuiglijke waarneming 

Toch maakte hij dankbaar gebruik van Plato’s overpeinzingen. Aristoteles was net als Plato van mening dat bijvoorbeeld de ‘paardheid’ van een paard eeuwig en onveranderlijk is. Maar, zo beweerde hij, zo’n idee kan pas in ons hoofd ontstaan nadat we een aantal paarden hebben gezien. Er bestaan geen aangeboren ideeën: alles wat de mens denkt is gebaseerd op waarneming. Wel bezitten individuen volgens Aristoteles het aangeboren vermogen om te categoriseren. Met het verstand worden zintuiglijke indrukken ondergebracht in groepen en een veelheid aan subgroepen, zoals ‘levend’ en ‘levenloos’, ‘dier’ en ‘mens’, en ‘hond’ en ‘kat’.

Materie en vorm

Het belangrijkste onderscheid dat Aristoteles maakte in zijn analyse van natuurverschijnselen is dat tussen materie en vorm. Materie betreft het ‘materiaal’ van een verschijnsel, terwijl de vorm bestaat uit ‘eigenschappen’ ervan. Volgens Aristoteles kon een ding niet worden geïdentificeerd op basis van de materie. Er is altijd sprake van geordende materie: materie, plus nog iets anders: de vorm. Zo verwijst de vorm van bijvoorbeeld een paard naar de verzameling van dingen die een paard kenmerken, zoals hinniken en galopperen. Dat wat voor alle paarden gelijk is, valt onder de vorm, de categorie of soort ‘paard’. Maar natuurlijk is niet ieder paard exact hetzelfde. Onderlinge verschillen en afwijkingen tussen paarden onderling vallen onder de materie. Materie en vorm zijn in onlosmakelijk met elkaar verbonden, zoals lichaam en ziel samen een mens definiëren.

Rembrandt, Aristoteles peinzend bij een borstbeeld van Homerus (1653)

Rembrandt, Aristoteles peinzend bij een borstbeeld van Homerus (1653)

Aristoteles als systeemfilosoof

Aristoteles kan worden aangemerkt als een ‘systeemfilosoof’, door de wijze waarop hij alles in termen van categorieën probeerde te beschrijven. Bij zijn indeling van natuurverschijnselen in groepen (bijvoorbeeld levend en levenloos) ging hij uit van wat dingen ‘kunnen’. Zo onderscheidt de mens zich bijvoorbeeld door het vermogen om rationeel te denken. Daarnaast beweerde hij dat alle dingen en verschijnselen een ‘doeloorzaak’ bevatten. Zo regent het bijvoorbeeld niet omdat afgekoelde waterdamp door de zwaartekracht in regendruppels naar beneden valt, maar omdat gewassen water nodig hebben. Alles in de natuur heeft op die manier een ‘levensdoel’. Tegenwoordig wordt dit idee veelal verworpen. Zo wordt niet per se gedacht dat appels aan de boom groeien om door mensen geplukt en opgegeten te worden, zoals Aristoteles wel zou beweren.

Aristoteles’ deugdenethiek

De filosofie van Aristoteles kende ook een ethische dimensie. Volgens hem kon de mens alleen een gelukkig leven leiden als alle menselijke vermogens goed worden benut. Volgens zijn deugdenethiek zou ieder mens moeten streven naar eudaimonia: gelukzaligheid. De ‘gulden middenweg’ vormt hierbij de sleutel. Een goed mens is hij die bijvoorbeeld niet laf of roekeloos is, maar moedig. Dit ‘gulden middenweg’-idee is op alles van toepassing. Van evenwicht en matigheid wordt de mens gelukkig en bereikt hij eudaimonia, aldus Aristoteles.

Weerlegging van Herakleitos

Reflecterend op Aristoteles filosofische voorgangers, heeft zijn gedachtegoed enkele implicaties. Neem het voorbeeld van de presocraat Herakleitos, die van mening was dat het onmogelijk is om tweemaal in dezelfde rivier te stappen. Omdat een rivier ‘stroomt’ en continu in beweging is, is het immers nog geen twee seconden dezelfde rivier, zo argumenteerde Herakleitos. Aristoteles vond dit onzin. De rivier bestaat immers niet slechts bij de gratie van haar materie, het water. Ondanks dat het water stroomt en de materie dus continu verandert, behoudt de rivier als geheel namelijk zijn vorm. En door het voortbestaan van deze vorm, behoudt de rivier ook zijn ‘identiteit’ als rivier. Daarom is een rivier niet op twee momenten verschillend, en is het prima mogelijk om vaker in dezelfde rivier te stappen. 

Aristoteles’ vrouwbeeld

Het onderscheid dat Aristoteles maakte tussen vorm en materie had overigens nogal kwalijke gevolgen voor zijn ‘vrouwbeeld’. Vrouwen zag hij als onvolledige mannen, ze misten iets. Volgens Aristoteles erfden kinderen bovendien alleen mannelijke eigenschappen. In zijn bewoordingen verschaft de ‘passieve en ontvangende’ vrouw die een kind baart slechts de materie, terwijl de ‘actieve en vormende’ man de essentiële vorm voor zijn rekening neemt. In de middeleeuwen droeg dit idee onder meer bij aan de visie op de ‘ondergeschikte’ vrouw. Niettemin bood Aristoteles’ filosofie inzicht in natuurverschijnselen die tot op de dag van vandaag hun waarde bewijzen, en waar de westerse filosofie nog eeuwen op voort kon borduren.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Afbeeldingen

– Rafaël, Detail of the School (…), 1509

– Rembrandt, Aristoteles peinzend bij een (…), 1653

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone