Friedrich Nietzsche en de dood van God
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

In de 19e eeuw borduurde de eigenzinnige filosoof Friedrich Nietzsche voort op de inzichten waarmee Immanuel Kant de basis voor de moderne westerse filosofie had gelegd. Nietzsche’s ideeën vormden een kritische reflectie op de morele, overwegend christelijke principes van zijn eigen tijd. Deze hadden individuen tot makke lammetjes gemaakt. Nietzsche wilde met behulp van zijn filosofische beschouwingen de mens zijn waardigheid en vitaliteit terug te geven.

Friedrich Nietzsche (1844-1900) studeerde theologie en klassieke filologie. Hij koesterde een grote belangstelling voor filosofie en werd daarbij niet alleen geïnspireerd door Kant, maar ook in sterke mate door Arthur Schopenhauer. Vanaf 1869 was Nietzsche werkzaam als universitair docent in Bazel, waar hij bevriend raakte met Richard Wagner. Vanwege gezondheidsproblemen, een erfenis van zijn diensttijd tijdens de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871), gaf Nietzsche deze positie na tien jaar op. Gedurende de jaren ’80 van de 19e eeuw formuleerde hij in alle eenzaamheid zijn belangrijkste filosofische theorieën.

Cultuurkritiek

Nietzsche zag, in navolging van de presocraten, de werkelijkheid als een proces dat voortdurend aan verandering onderhevig was. Hij ontwaarde een onophoudelijke strijd tussen ‘interpretaties’, aangewakkerd door wat Nietzsche de onverzadigbare ‘wil tot macht’ noemde. Zo had het christendom als een dominante interpretatie van de werkelijkheid de illusie gewekt dat het was gebaseerd op de ‘waarheid’. Nietzsche zag het christendom daarom als een techniek van de middelmatige massamens om sterke, vrije geesten te onderwerpen.

Herenmoraal en slavenmoraal

Mede dankzij de opkomst van het christendom had er volgens Nietzsche een ‘slavenopstand in de moraal’ plaatsgevonden. Een oorspronkelijke vitale, edele en nuttige ‘herenmoraal’ had plaatsgemaakt voor een ‘slavenmoraal’. Deze was gebaseerd op zwakheid en angst. Door bijvoorbeeld medelijden en zelfverloochening tot positieve, deugdzame waarden te bestempelen, maakten de lagere maatschappelijke klassen van hun zwakte een deugd. Nietzsche verafschuwde deze verdraaiing van de werkelijkheid. Hij pleitte voor een terugkeer naar de ‘herenmoraal’, die grootsheid, vitaliteit en waardigheid terug kon geven aan de mensen.

Goed en kwaad

Allereerst moest de mens doordrongen worden van het besef dat iemand onmogelijk een gelukkig, groots leven kon leiden zonder zelf pijn te lijden en ook anderen te kwetsen. Toch was dát het beeld dat het christendom, maar ook het moderne vooruitgangsgeloof de mens voorspiegelden. Nietzsche wees erop dat beide kanten van de medaille onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dit geldt voor goed en kwaad, geluk en pijn, ratio en empirie, oorlog en vrede, schepping en vernietiging, lichaam en geest, enzovoort.

“God is dood!”

In De Vrolijke Wetenschap (1882) schreef Nietzsche over de ‘dolle mens’, die zegt op zoek te zijn naar God. De dolle mens stormt een marktplein op en roept voortdurend “Waar is God?”. Omstanders, zogenaamde ‘verlichte’ burgers lachen hem uit en drijven de spot met deze ‘zot’. Zij beweren hooghartig dat ze helemaal geen god nodig hebben. De dolle mens verkondigt daarop: “God is dood! […] En wij hebben hem gedood!”. Hij bestempelt vervolgens kerken als de ‘graven en gedenktekens van God’. Hiermee wilde hij zeggen dat de christelijke cultuur zélf verantwoordelijk was voor de ‘dood van God’. Wat bedoelde Nietzsche met deze passage?

Uitgeholde betekenis van God

Volgens Nietzsche was de ‘oorspronkelijke God’ een god die goed en kwaad in zich verenigde, een meedogenloze God die prachtige dingen schiep maar ze ook verwoestte. De christelijke cultuur had de kwade zijde van ‘hun’ God echter weggemoffeld en de illusie gewekt dat de christelijke God alleen maar positief, goed en alwetend was. Als onderdeel van het verlichtingsdenken en het moderne vooruitgangsgeloof, had het atheïsme vervolgens afstand gedaan van het geloof in deze christelijke God. De ‘dolle mens’ zag als enige in dat met de ‘dood van God’ het hele waardenstelsel van de ‘verchristelijkte’ cultuur in elkaar stortte.

Nihilisme

Nietzsche constateerde namelijk dat ‘verlichte burgers’ en atheïsten misschien wel beweerden dat ze geen God nodig hadden, maar ondertussen onbewust hun leven bleven leiden volgens de morele, ‘zwakke’ principes van de christelijke cultuur. Dit was even hypocriet als kortzichtig. De ‘dood van God’ had in de praktijk verregaande consequenties. Als mensen niet meer terug konden vallen op het christendom als basis van morele principes, verdween namelijk ieder houvast en onderscheid tussen goed en kwaad. Deze desoriëntatie resulteerde onvermijdelijk in nihilisme en chaos. Wat was volgens Nietzsche de uitweg uit deze uitzichtloze situatie?

Übermensch

Mensen moesten leren leven met het tragische besef dat er geen geruststellende, objectieve waarheden bestaan. Geen enkele ‘interpretatie’, of het nu wetenschap, religie of een idealisme betreft, heeft de waarheid in pacht. En als iemand dacht te kunnen beweren zonder God te kunnen, dan moest hij ook de gevolgen onder ogen zien en het heft in eigen handen nemen. Mensen waren zélf verantwoordelijk voor hun handelen, en moesten zich niet langer gemakzuchtig en als makke lammetjes voegen naar de mening van de massa. Een terugkeer naar de ‘herenmoraal’ kon bijdragen aan de verwezenlijking van Nietzsche’s menselijke ideaalbeeld van de Übermensch: een zelfstandige, hardvochtige, creatieve en onderscheidende intellectueel.

Lees hier meer over vele andere belangrijke filosofen uit de geschiedenis.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Afbeelding

– Wikimedia, Friedrich Nietzsche

 

Leestips – Boeken

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone