Immanuel Kant en zijn visie op de werkelijkheid
Tweet about this on TwitterShare on Facebook15Share on Google+1Pin on Pinterest0Email this to someone

Wordt kennis verkregen door ervaring, of door logisch te redeneren? Zijn voorgangers hadden zich naar aanleiding van deze vraag laten verleiden partij te kiezen voor óf de ‘empirie’, óf de ‘ratio’, maar de Duitse filosoof Immanuel Kant koos in de 18e eeuw voor een middenweg. Hoe zag deze filosofische ‘verzoeningspoging’ tussen de twee denktradities eruit?

Immanuel Kant (1724-1804) was de zoon van een arme zadelmaker en groeide op in een streng christelijk gezin. Hij werd geboren in de Oost-Pruisische stad Koningsbergen, het tegenwoordige Kaliningrad, en zou die plaats nooit verlaten. Hier studeerde Kant onder andere theologie, natuurkunde en filosofie, waarna hij aan de slag ging als onderwijzer. Zijn belangrijkste filosofische inzichten kreeg hij pas eind jaren 1770, toen hij al dik in de vijftig was.

Verhouding ervaring en verstand

Kant specialiseerde zich in de geschiedenis van de filosofie en had veel kennis van de denkbeelden van invloedrijke filosofen, zoals de rationalisten Descartes en Spinoza, en de empirist Hume. Volgens Kant hadden beide denktradities hun sterke en zwakke punten. Hij was van mening dat de ervaring en rede beide essentieel waren voor kennisvergaring. Kant argumenteerde dat de mens de wereld in eerste instantie leert kennen door dingen en fenomenen in zijn leefomgeving te bekijken en te ervaren. Het aangeboren menselijke verstand zorgt vervolgens voor een specifieke interpretatie van deze waargenomen werkelijkheid.

Aangeboren eigenschappen

Zo was Kant van mening dat de mens automatisch alles opvat als verschijnselen in tijd en ruimte, en in termen van oorzaak en gevolg. Deze neigingen zijn aangeboren eigenschappen, die de mens ook tot een mens maken. Waar een jonge hond bijvoorbeeld instinctief achter een rollende bal aanrent, zijn mensen juist geneigd om allereerst te achterhalen waar die bal eigenlijk vandaan komt.

Ding an sich – Ding für mich

Het aangeboren denkvermogen zorgt ervoor dat de werkelijkheid slechts ‘geïnterpreteerd’ wordt. Het Ding an sich, de wereld zoals hij ‘echt’ is, kan de mens volgens Kant niet kennen. Mensen kennen slechts de Dinge für mich. Dit betreft de manier waarop de wereld en alle dingen persoonlijk worden ervaren. Er is altijd sprake van een subjectieve interpretatie van de waargenomen werkelijkheid. De functie van het menselijk denkvermogen is daarmee vergelijkbaar met de manier waarop een roze bril de waarneming beïnvloedt en ‘kleurt’, of de wijze waarop een kikker dankzij zijn bolle ogen ‘veronderstelt’ dat alle verschijnselen in de wereld ronde vormen hebben.

Grens aan het verstand

Volgens Kant was er een grens aan wat de mens kon ‘kennen’. Hierover schreef hij in zijn Kritiek van de Zuivere Rede (1781). Veel andere filosofen deden uitspraken over levensvraagstukken, zoals de relatie tussen ziel en lichaam en het al dan niet bestaan van God. Kant was echter van mening dat dergelijke vragen het menselijk verstand te boven gingen. Dit gold ook voor uitspraken over het universum: beweren dat het universum er altijd al geweest is impliceert dat iets kan bestaan zonder ooit te zijn ontstaan. Maar aannemen dat het universum wel op een specifiek moment is ontstaan, betekent dat ‘iets’ uit het ‘niets’ kan ontstaan. Beide ideeën zijn niet te bevatten. De menselijke rede schiet tekort om op zulke vraagstukken een definitief antwoord te geven, en dat moest volgens Kant onder ogen worden gezien.

Kant aan het discussiëren met gastenKantiaanse ethiek

Kant’s filosofie kent ook een sterk ethische dimensie, waarbij de ideeën van vrijheid en verantwoordelijkheid een belangrijke rol speelden. Ondanks dat Kant meende dat de wereld ‘gedetermineerd’ was, beweerde hij dat het noodzakelijk was om te veronderstellen dat de mens een vrij wezen is dat zelfstandig handelt. Want alleen dan kan een persoon zich afvragen of zijn gedrag ook moreel acceptabel is. Kant interpreteerde ‘vrijheid’ dan ook niet als het kunnen doen en laten wat je wilt. Integendeel: vrijheid impliceert juist verantwoordelijkheid. Een vrij en zelfstandig individu verplicht zichzelf als het ware om verantwoordelijk te handelen.

Categorisch Imperatief

Volgens Kant bestaat er een universele zedelijke wet, met ‘algemene geldigheid’, die voorschrijft hoe de mens in alle situaties zou moeten handelen. Hij formuleert dit zogeheten ‘Categorisch Imperatief’ als volgt: ‘Handel volgens dat principe, waarvan je zou willen dat het een algemene wet wordt’. Dit gebod doet denken aan: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’. Als iemand besluit om niet gemeen of egoïstisch te handelen, terwijl dat eigenlijk tegen de persoonlijke belangen indruist, handelt diegene in vrijheid als een zelfstandig individu. Alleen als de mens in staat is volgens deze ‘plicht’ te leven, en hij zich hier bovendien van bewust is, kan hij zichzelf beschouwen als een vrij individu met verantwoordelijkheid.

Filosoof van de vrijheid

Kant wordt dankzij deze ideeën wel herinnerd als filosoof van de vrijheid. Hij maakte zich sterk voor het idee dat de mens geen gewillig schaap is dat zich door anderen laat leiden en zelf onmondig is. Dit wordt geïllustreerd door het idee van Sapere aude: ‘Durf te denken’. De mens kan voor zichzelf opkomen, de touwtjes in eigen handen nemen en verantwoordelijkheid dragen voor zijn handelen in vrijheid. Kant was van grote invloed op de westerse filosofie en stond aan de wieg van het Duits Idealisme, een filosofische stroming waartoe onder andere Georg Wilhelm Friedrich Hegel behoorde.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook15Share on Google+1Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook15Share on Google+1Pin on Pinterest0Email this to someone

Afbeeldingen

– Wikimedia, Immanuel Kant, 18e eeuw

– Wikimedia, Kant and guests, 1892-93

 

Leestips – Boeken

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook15Share on Google+1Pin on Pinterest0Email this to someone