Thomas van Aquino als christelijke Aristoteles
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest2Email this to someone

De pogingen van onder meer Augustinus en Anselmus om filosofie en religie nader tot elkaar te brengen, vond vanaf de 12e eeuw navolging in de zogeheten Scholastiek (circa 1200-1350). In deze periode ontstond bovendien een hernieuwde interesse in het werk van Aristoteles. Zo beweerde de 13e-eeuwse theoloog en filosoof Thomas van Aquino dat hij met behulp van Aristoteles het bestaan van God kon aantonen.

Vanaf het einde van de 12e eeuw werden de eerste Europese universiteiten opgericht. De wetenschapsbeoefening aan deze middeleeuwse onderwijsinstituten wordt wel de ‘scholastische methode’ genoemd. In de 13e eeuw werd deze universitaire leermethode sterk beïnvloed door de filosofie van Aristoteles. Thomas van Aquino (1225-1274), afkomstig uit het Italiaanse Aquino, was halverwege deze eeuw als docent werkzaam aan de universiteit van Parijs. Hij was degene die er het beste in slaagde een synthese tussen Aristoteles en het christelijke geloof tot stand te brengen.

Natuurlijke theologische waarheden

Aquino was van mening dat er geen tegenstelling bestond tussen de ‘verhalen’ van de religie en die van de filosofie. Hij was er van overtuigd dat er nu eenmaal sprake was van ‘natuurlijke theologische waarheden’, die met behulp van zowel de Bijbelse openbaring als met het verstand verklaard konden worden. Eén van deze natuurlijke theologische waarheden was voor hem het bestaan van God. Hoe zag hij voor zich dat we niet alleen in God konden geloven, maar God ook konden ‘verklaren’?

Aristoteles en de waarneming

Thomas van Aquino ontwikkelde allereerst een visie op de mens en wereld die radicaal anders was dan het idee dat Augustinus er in navolging van Plato op na had gehouden. Aquino baseerde zich namelijk op het gedachtegoed van Aristoteles, in wiens filosofie de zintuiglijke waarneming een belangrijke rol vervulde. Op dit idee bouwde Aquino voort. Hij legde niet de nadruk op introspectie, maar was juist ‘naar buiten gericht’: kennis ligt niet ergens opgeslagen in ons hoofd maar halen we uit de dingen die we zien.

Vergaren van kennis

Vervolgens stelde Aquino vast dat de wereld zoals hij die waarnam, puur bestond uit ‘individuele dingen’. Hij kon wel een vrouw zien lopen en kolibries zien vliegen, maar het was simpelweg niet zo dat hij ergens de algemene begrippen ‘mens’ of ‘vogel’ zag zweven. Op basis van zijn waarneming kon hij echter in zijn hoofd die algemene begrippen construeren en categorisch ordenen. Dit betrof een proces van abstractie: hij was in staat het algemene begrip ‘dier’ af te leiden uit individuele verschijnselen van schapen, paarden en honden. Ook de menselijke ziel, die volgens Aquino in principe leeg was, werd als het ware gevuld met behulp van de zintuiglijke waarneming.

Belang van het geloof

Aquino was van mening dat we met de wisselwerking tussen waarneming en verstand slechts een deel van de werkelijkheid konden bevatten. Een essentiële aanvulling hierop was het geloof. In religie vond hij de bevestiging en zekerheid van veel dingen die hij grotendeels ook met zijn verstand kon beredeneren. Filosofie en religie waren als twee ‘indrukken’ die elkaar aanvulden: zoals een dove aan de hand van bliksem kan zien dat het onweert, komt een blinde door het horen van de donder tot dezelfde conclusie. De twee indrukken sluiten elkaar niet uit; de vereniging van beide, zien én horen, maakt de ‘kennis’ juist tot een krachtiger geheel. Zo werkte het volgens Aquino ook met geloof en rede.

Thomas van AquinoVerklaring voor God’s bestaan

Aristoteles beschreef God dan wel niet letterlijk, maar het idee van God kon volgens Aquino gemakkelijk op diens filosofie worden geprojecteerd. Om Gods creatie te zien hoefde Aquino alleen maar om zich heen te kijken: Gods schepping was waarneembaar, maar directe kennis over God was slechts uit de bijbel te halen. Hij verwierp hiermee het ‘ontologisch godsbewijs’ van Anselmus: God is ‘immaterieel’, niet waarneembaar, en dus kunnen we geen directe kennis over hem krijgen. Toch dacht Aquino het bestaan van God op een ‘logisch-empirische’ manier te kunnen verklaren, alleen al aan de hand van verandering: we zien immers dat alles continu ‘verandert’. Deze verandering moet wel ergens in gang zijn gezet, en wel door de ‘Onbewogen Beweger’, oftewel God. Hetzelfde geldt voor oorzakelijkheid: alles wordt ‘veroorzaakt’ door iets. Er moet dus ook een ‘Eerste Oorzaak’ zijn.

Kritiek op Thomas van Aquino

Kortom: als we naar de wereld om ons heen kijken en alle verschijnselen proberen te verklaren, komen we volgens Aquino uiteindelijk onvermijdelijk uit bij die ene conclusie: God bestaat. Op dergelijke gedachtegangen van Aquino is in latere eeuwen wel de nodige kritiek gekomen. Hoe weten we bijvoorbeeld zo zeker dat veranderingen niet ‘oneindig’ zijn? Waarom bevinden oorzaken zich niet in een circulaire, herhalende keten? De fout die Aquino maakte in zijn theorie, net als Anselmus dat deed, is dat hij in zijn argumentatie al veronderstelde wat hij wilde bewijzen, namelijk het bestaan van God.

Spanning geloof en rede

In de loop van de 13e eeuw kwam er tegelijkertijd toenemende kritiek op de vele verzoeningspogingen die tussen geloof en rede plaatsvonden. De spanning tussen de ‘heidense leer’ van Aristoteles en de christelijke leer leidde in 1277 zelfs tot een veroordeling van het werk van Aquino door de bisschop van Parijs. Er gingen veel stemmen op dat beide denktradities simpelweg hun eigen domein moesten hebben. Deze kritiek zou geloof en rede langzaam maar zeker weer uit elkaar drijven.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest2Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest2Email this to someone

Afbeelding

– Carlo Crivelli, Saint Thomas Aquinas, 15e eeuw

 

Leestips – Boeken

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest2Email this to someone