Hoge middeleeuwen (1000-1250)

Met de hoge middeleeuwen wordt de periode tussen 1000 en 1250 bedoeld. De kerstening bereikte in deze tijd haar hoogtepunt, waardoor vrijwel heel Europa christelijk werd. Lees in dit dossier over de Gregoriaanse Hervormingen en de Investituurstrijd, Kruistochten, Reconquista en de Renaissance van de 12e eeuw.

Koningschap

Met het uiteenvallen van het Karolingische Rijk en de plundertochten van de Vikingen nam het gezag van de Europese koningen in de negende en tiende eeuw steeds verder af. De bevolking was voor hun bescherming met name toegewezen op de lokale heren, die zich vervolgens steeds onafhankelijker op begonnen te stellen. Sommige graven en hertogen werden zelfs machtiger en rijker dan hun eigen vorst.

Aan het begin van de elfde eeuw kwam hier verandering in. Verschillende Europese koningshuizen, waaronder de Capetingen in Frankrijk en de Plantagenêts in Engeland begonnen de lokale heren weer aan hun gezag te onderwerpen. Het feodale systeem bleef hier grotendeels gehandhaafd, maar voortaan werd de krijgsplicht steeds vaker vervangen door de betaling van ‘schildgeld’. Met deze vorm van belasting betaalden de koningen voortaan hun eigen ambtenaren, rechters en ten tijde van oorlog hun legers. Hiermee legden zij de basis voor een sterk centraal bestuur.

In Duitsland daarentegen bleef het bestuur daarentegen grotendeels decentraal. Binnen het Heilige Roomse Rijk genoten de afzonderlijke Duitse vorsten nog een grote mate van onafhankelijkheid. Bovendien werd het rijk in de twaalfde eeuw geteisterd door een troonstrijd tussen de Welfen en de Staufen, waardoor het centrale gezag nog verder verzwakte. Pas met de kroning van keizer Frederik I Barbarossa in 1152 werd in de Duitse gebieden het gecentraliseerde bestuur weer enigszins hersteld.

Gregoriaanse Hervormingen en de Investituurstrijd

 Naast de koningen begon ook het Vaticaan pogingen te ondernemen om haar gezag te verstevigen en het bestuur binnen de kerk te centraliseren. De ‘Gregoriaanse hervormingen’, vernoemd naar Paus Gregorius VII (1073-1085), moesten het kerkelijke leven zuiveren van slechte invloeden en benadrukten het centrale gezag van de Paus. Zo werd het college van kardinalen omgevormd tot een kerkelijk bestuursapparaat en reisden pauselijke legaten alle lokale geestelijken af om te controleren op onbekwaamheid of corruptie.

Na verloop van tijd begonnen de Pausen hun invloed ook steeds meer te laten gelden ten opzichte van de wereldlijke heersers. Zo werd de Paus vanaf 1059 niet meer gekozen door de Duitse keizer en de Romeinse adel, maar door het college van kardinalen. Daarnaast mochten grondheren voortaan niet meer hun eigen pastoors benoemen, maar moesten ze deze voordragen voor benoeming door de Paus.

Paus Gregorius VII wilde eveneens dat bisschoppen niet langer benoemd werden door de koning, maar door de kerk zelf. Deze stap betekende echter een grote inbreuk op de macht van de monarch, aangezien bisschoppen in hun diocese vaak ook administratieve en financiële taken vervulden. Al snel kwam Gregorius daardoor in conflict met de Heilige Roomse Keizer Hendrik (1050-1106), en in 1076 begon de zogeheten ‘Investituurstrijd’. Pas na vijftig jaar werd het conflict definitief opgelost met het concordaat van Worms in 1122. De bisschoppen werden voortaan benoemd door de Paus, maar kregen hun wereldlijke macht van de koning, die hiermee in principe en vetorecht had.

Kruistochten en Reconquista

Ongetwijfeld het hoogtepunt van de Pauselijke macht werd bereikt tijdens de periode van de Kruistochten. In 1095 deed Paus Urbanus II een beroep op alle christenen, en in het bijzonder de adel, om het Heilige Land te bevrijden van de moslims. Op deze manier verspreidde hij het christendom, bevrijdde hij Europa grotendeels van de onderlinge oorlogen en vergrootte hij zijn eigen aanzien. Aan alle deelnemers beloofde Urbanus een volledige aflaat, ofwel een kwijtschelding val alle begane zonden.

De Eerste Kruistocht begon in 1096 en eindigde drie jaar later, op 13 juli 1099, met de verovering van Jeruzalem. Het resulteerde in de stichting van het ‘Latijnse koninkrijk Jeruzalem’ en de oprichting van verscheidene ridderorden, waaronder de ‘Orde van de Tempeliers’ en de ‘Hospitaalridders’, die het Heilige Land moesten beschermen. Zij waren de belichaming van het kerkelijke ridderideaal: soldaten die vochten uit naam van de kerk en die naast moed, kracht en trouw ook belang hechtten aan eenvoud, gehoorzaamheid en bescherming van de zwakkeren. Uiteindelijk zouden de kruisvaarderstaten ruim twee eeuwen stand houden, tot de val van Akko in 1291.

Ondertussen waren de christelijke ridders ook binnen Europa begonnen aan de verdrijving van de moslims. Zo werd vanaf de elfde eeuw begonnen met het heroveren van het Spaanse schiereiland, een strijd die bekend kwam te staan als de ‘Reconquista’ (Herovering). Tegen het einde van de dertiende eeuw was vrijwel heel Spanje in handen van de christenen. Alleen in het zuidelijke staatje Granada wisten de moslims nog tot het einde van de vijftiende eeuw stand te houden, totdat ook zij in 1492 definitief verdreven werden.

Toch waren er ook veel gelovigen die zich juist afkeerden van deze wereldlijke politiek en het religieuze geweld. Zij verenigden zich in de kloosterorden, die zich grotendeels afzonderden van de rest van de wereld. Onderling vormden zij echter een hechte gemeenschap, die samen de gelofte van de armoede aflegden en zich volledig toewijdde aan de navolging van het ‘pure’ geloof. De broeders leefden volgens strenge geloofsregels, onder meer vastgelegd in de regel van Augustinus en de regel van Benedictus. Bovendien besteedden zij veel tijd aan het bestuderen en kopiëren van geschriften, waardoor de kloosters uitgroeiden tot belangrijke culturele centra.

Renaissance van de 12e eeuw

In de loop van de Hoge Middeleeuwen verschoof het zwaartepunt van deze geleerde traditie echter van de kloosters naar de kathedraalscholen. Deze stedelijke instituten, die vaak later uitgroeiden tot de eerste universiteiten, gaven over het algemeen dezelfde lesstof, maar benaderden deze op een andere manier. De nadruk lag niet langer op het overnemen van heersende tradities en dogma’s, maar op het kritisch beschouwen van verschillende meningen. Eén van de belangrijkste figuren uit deze zogeheten ‘scholastieke’ stroming is de Franse filosoof Petrus Abaelardus, die stelde dat twijfel leidde tot onderzoek, en dat onderzoek resulteerde in waarheid.

De nieuwe scholastieke traditie was overigens niet alleen van invloed op de filosofie, maar deed op allerlei wetenschappelijke gebieden haar intrede. Ook op het gebied van onder andere de geschiedschrijving en de rechtsgeleerdheid werden verschillende meningen naast elkaar gelegd, om vervolgens via kritische beschouwing en het schrijven van commentaren tot nieuwe inzichten te komen. Met deze methodes beschreef Petrus Comestor  in zijn ‘Historia Scholastica’ de een nieuwe versie van de Bijbelse geschiedenis en groeide het kerkrecht in de twaalfde eeuw uit tot een doordacht juridisch systeem, met aan het hoofd de Paus.

Ook de kunsten bereikten in de twaalfde eeuw een hoogtepunt. Zo verschenen op het gebied van de Latijnse dichtkunst omstreeks 1150 de ‘Ysengrimus’, de oerversie van de Reynaert-verhalen, en de ‘Ludus de antichristo’, over het leven van Jezus Christus. Daarnaast kreeg het ridderideaal in deze periode grip op de literatuur en ontstond het fenomeen van de ‘hoofse liefde’, een ridder die verlangt naar de liefde van een (onbereikbare) getrouwde vrouw. De invloeden zijn onder andere terug te vinden in de werken van de Fransman Chrétien de Troyes, de grondlegger van de Arthurliteratuur. Tot slot werd op het gebied van de architectuur de Romaanse stijl vervangen door de ‘gotiek’, die zich met name laat karakteriseren door het veelvuldige gebruik van spitsbogen en kruisribgewelven.