Groote onaangenaamheden van zeer teederen aard”.
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Hoe 19e-eeuwse Amsterdammers vreesden dat de politie een eerbare vrouw met een prostituee zou verwarren

De bewoners van donker Amsterdam, het gebied dat vandaag de dag bekendstaat als De Wallen, leven in de jaren tachtig van de negentiende eeuw zij aan zij met vrouwen die er een onzedelijke levenswijze op nahouden. De buurt die eens zo hoogstaand was en waar koopmannen, winkeliers en hoteleigenaars zich gevestigd hebben, raakt langzaam maar zeker overspoeld met ‘lichtekooien’.

door Elise Pool

Prostituees zijn niet alleen in bordelen werkzaam. Ze oefenen hun beroep ook op straat uit, of heimelijk in cafés of in huis. Ze staan in groepjes op straat en belemmeren daardoor de weg, ze spreken mannelijke voorbijgangers aan, ze veroorzaken geluidsoverlast met hun onfatsoenlijke taal en gedragen zich ronduit onzedelijk. In 1888 zijn buurtbewoners het dan ook spuugzat. Zij beklagen zich bij de gemeenteraad. Meer dan 2000 personen ondertekenen het adres waarin zij de Raad oproepen de prostitutie aan regels te onderwerpen en daarmee een einde te maken aan de overlast.

Ook in de eenentwintigste eeuw klagen Amsterdammers over overlast op De Wallen. Er vinden vechtpartijen plaats, de straten zijn vuil en er komen drommen toeristen op af die zich gedragen alsof ze in een attractiepark zijn. Ze zijn luidruchtig, bezatten zich en steken midden op straat een jointje op. Het aantal rondwandelingen en boottochten neemt toe en vrijgezellenfeestjes worden steeds uitbundiger gevierd. Om aan de overlast te ontkomen verblijft een aantal bewoners in de weekenden buiten de stad of verkoopt zelfs zijn huis. [1]

1

Drommen toeristen op De Wallen. Foto: Public Domain Pictures.

Meer dan een eeuw geleden was een aantal huizen in deze omgeving volgens de protesterende buurtbewoners ook ‘onbewoonbaar’ vanwege de luidruchtige tonelen op straat.[2] Om een beter begrip te krijgen van de frustraties van deze Amsterdammers bestudeerde ik krantenartikelen, las ik brieven die zij aan de burgemeester schreven en onderzocht ik twee brochures die de adressanten hadden opgesteld. In hun beleving waren prostituees een smet en een gevaar voor de stad. Ze vormden niet alleen een bedreiging voor mannen, die zij dikwijls ten val brachten, of voor kinderen, die door hen in aanraking kwamen met een immorele wereld, maar vooral voor vrouwen. Wat ik opmerkelijk vond, is dat buurtbewoners zich veel zorgen maakten over deze laatste groep. Zorgen die niet te maken hadden met onveiligheid op straat, maar gebaseerd waren op een angst van een totaal andere aard. Uit verschillende bronnen bleek dat zij bang waren dat een fatsoenlijke vrouw voor een prostituee zou worden aangezien. Het probleem was niet dat een fatsoenlijke vrouw daardoor ongure personen op zich af zou krijgen, maar dat een politieagent haar, nota bene in het zicht van buurtgenoten, zou kunnen aanspreken. Dit probleem zou volgens de buurtbewoners opspelen als de verordeningen waar zij om vroegen, zouden worden ingevoerd. Als de prostitutie aan regels zou worden onderworpen, zou de politie deze ook moeten handhaven – met alle gevolgen van dien.

Het onderscheid tussen eerbare en oneerbare vrouwen

In de samenleving van de klagende buurtbewoners van 1888 is een goede reputatie voor vrouwen van groot belang. Een vrouw dient zich fatsoenlijk te kleden en te gedragen. Bij voorkeur gaat zij alleen onder begeleiding van een mannelijk familielid of een chaperonne over straat. ‘Alleenlopende vrouwen’ dreigen hun reputatie als fatsoenlijke vrouw te verliezen. Door zich volgens de norm te kleden, zich niet opvallend te gedragen en niet alleen over straat te gaan, proberen eerbare vrouwen zich te onderscheiden van oneerbare vrouwen.[3] Er moeten duidelijke grenzen bestaan tussen zedige en onzedige vrouwen.[4] De grenzen zijn echter niet altijd even duidelijk. Prostituees gaan steeds heimelijker te werk.[5] Hoewel buurtbewoners klagen over het ongepaste gedrag van deze vrouwen, blijkt dat zij de vrouwen niet altijd als prostituees herkennen. Bezorgd vragen zij aan agenten of ook zij weleens “eene eerbare en eene publieke vrouw” met elkaar verwarren.

De politie spreekt geruststellende woorden. Agenten beweren dat zij elke prostituee van gezicht kennen en dat “de vrees, dat ooit een eerbare vrouw aanstoot zou kunnen krijgen” door toedoen van een agent onterecht is.[6] Ondanks dat de gedachte aan misverstanden zorgen baart, geloven de bewoners van donker Amsterdam dat de kans dat zo’n situatie zich zou voordoen niet erg groot is. D. A. van Waalwijk, hoofdredacteur van het Nieuwsblad voor Nederland en bewoner van de Warmoesstraat, beweert op een openbare vergadering dat zelfs de domste persoon direct zou kunnen zien of een vrouw een prostituee is of niet. Het publiek beantwoordt zijn opmerking met een daverend applaus.[7] De adressanten maken in de brochure Wat wenschen wij? bovendien duidelijk dat een prostituee zich op straat en aan de deuren en ramen van haar woning op een bepaalde manier gedraagt. Een vrouw is verdacht wanneer zij bekend staat als publieke vrouw en wanneer zij dit afwijkende (niet nader omschreven) verdrag vertoont. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat een eerbare vrouw zich op zo’n manier zou gedragen en als publieke vrouw bekend zou staan.[8]

8

Het Kolkje en de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam, gefotografeerd door straatfotograaf en kunstschilder George Hendrik Breitner (1894-1898). Foto: Wikimedia Commons.

Beperking van de vrijheid van de vrouw

Agenten kunnen door de invoering van een verordening niet alleen de reputatie van een vrouw in gevaar brengen, maar haar ook in haar vrijheid beperken. Gemeenteraadslid C. V. Gerritsen waarschuwt dat wanneer prostituees zich ’s nachts niet meer op straat zouden mogen begeven, dit moeilijkheden zou kunnen opleveren voor vrouwen. Wanneer zij in de nacht genoodzaakt zijn hulp te halen en geen mannelijke begeleiding kunnen vinden, kunnen zij zomaar door een agent worden opgepakt![9] Het satirische blad Asmodée kaart dit probleem aan in de vorm van een parodie. Vrouwen tussen de 5 en 69 jaar zouden zich alleen in gezelschap van een echtgenoot of een naast familielid op straat mogen vertonen. Zij mogen absoluut niet door hun raam naar buiten kijken of het openen om hun kamer te luchten en moeten ten alle tijden hun gordijnen gesloten houden. Koffiehuizen mogen ’s avonds alleen geopend blijven wanneer zij enkel bezocht worden door “eenige oude stamgasten die domino spelen of kruisjassen”.[10] Nadat de gemeente Amsterdam op 2 februari 1889 daadwerkelijk een prostitutieverordening invoert, geeft Asmodée wederom een kritische reactie, dit keer in de vorm van een satirisch gedicht. Wanneer een fatsoenlijke vrouw op straat zou staan, zou zij meteen door een agent bevraagd worden. Staat zij stil in de omgeving van een bordeel, dat zou zij meteen verjaagd worden door de politie. Volgens Asmodée worden “in geen enkel land, / De vrijheid en het recht der vrouw / Zoo onbeschaamd’lijk aangerand.”[11]

Regels ter voorkoming van beschamende situaties

Om te voorkomen dat een politieagent een fatsoenlijke vrouw in het zicht van haar buren onterecht aanspreekt, stellen de bezorgde Amsterdammers vóór de invoering van de verordening, een aantal aanvullende regels op. Zo mag een agent in geen geval een vrouw op straat staande houden. Wanneer hij vermoedt dat een vrouw als prostituee werkt zonder haar woning geregistreerd te hebben, moet hij zo onopvallend mogelijk achterhalen waar zij woont. Het is beter dat hij de vrouw in kwestie hierbij uit het oog verliest, dan dat hij zich vergist en een fatsoenlijke dame aanspreekt. Heeft de agent het huis van de betreffende vrouw kunnen vinden, dan moet een politiebeambte het onderzoek in burger vervolgen.[12] Het zou natuurlijk hoogst ongepast zijn als een agent in uniform bij een eerbare vrouw aan de deur zou staan. Wat zouden de buren daarvan denken?

Dat het in de ogen van de adressanten uiterst schandelijk is voor een eerbare vrouw om voor een prostituee te worden aangezien, blijkt maar al te duidelijk uit bovengenoemde regels. Ondanks dat publieke vrouwen zich anders zouden gedragen en ondanks dat de politie aangeeft hen te kunnen herkennen, zijn deze regels volgens buurtbewoners noodzakelijk wanneer een prostitutieverordening in het leven wordt geroepen. Een verordening is gewenst, omdat het de overlast kan beperken. Tegelijkertijd kan een verordening nieuwe problemen opleveren. Buurtbewoners vrezen dat publieke vrouwen hun gedrag aanpassen, waardoor het onderscheid tussen fatsoenlijke en onfatsoenlijke vrouwen verder zal vervagen. [13] Er moet alles aan gedaan worden om te voorkomen dat agenten een vergissing maken!

9

Beurspoortje op de Vijgendam (ca. 1900). Op de Vijgendam werd veel getippeld. Foto: Wikimedia Commons.

Misverstanden

De vrees van de adressanten blijkt niet geheel ongegrond. Hoofdcommissaris van de politie H. G. van Doesburgh uit in een brief aan burgemeester Gijsbert van Tienhoven zijn zorgen over dergelijke misverstanden. Het is volgens de hoofdcommissaris algemeen bekend dat in verschillende steden in binnen- en buitenland zich zulke situaties hebben voorgedaan. Van Doesburgh vreest daarom dat zelfs wanneer in een prostitutieverordening een zeer precieze definitie zou worden gegeven van wat een publieke vrouw is, ambtenaren in uitzonderlijke gevallen zich nog steeds zouden kunnen vergissen en daardoor aanleiding zouden geven tot “groote onaangenaamheden van zeer teederen aard”.[14] Gerritsen geeft hier tijdens de openbare vergadering een voorbeeld van. Hij kaart een voorval in Den Haag aan waarbij twee Engelse dames gearresteerd waren vanwege hun opvallende kledij. Het publiek ondersteunt zijn betoog, al klinkt er tevens “gefluit en gesis” en roept Van Waalwijks argument dat publieke vrouwen gemakkelijk te herkennen zijn, veel meer enthousiasme op.[15]

Een incident bevestigt al vrij snel na de invoering van de Amsterdamse prostitutieverordening de twijfels van Van Doesburgh en Gerritsen.In september krijgt burgemeester Van Tienhoven een verontwaardigd bericht binnen van koffiehuishouder A. A. de Jong. Zijn vrouw is ten onrechte door een agent aangesproken! Toen zij ’s nachts op de stoep voor het café stond om een luchtje te scheppen, stapte plots een agent op haar af. De agent geeft later aan dat de betreffende vrouw met een voor hem onbekende heer had staan praten. Zodra de agent in de buurt kwam, ging deze heer er vandoor en verborg de vrouw haar gezicht. De agent vond deze twee zaken nogal verdacht en vroeg de vrouw of zij getrouwd was. Meneer De Jong ontkent echter stellig dat zijn vrouw buiten met een heer gesproken had en is ontzet over het onterechte optreden van de politie.[16]

Grenzen – toen en nu

Het feit dat buurtbewoners om een verordening vroegen, waarin bepaald werd dat politieagenten verdachte vrouwen niet in het openbaar mochten aanspreken, toont aan dat het voor een eerbare vrouw absoluut een schande was om als prostituee te worden aangezien. Een prostitutieverordening bracht aan de ene kant orde en een duidelijkere grens tussen fatsoenlijk en onfatsoenlijk gedrag, maar had ook duidelijke nadelen. Het risico bestond dat prostituees zich nóg onopvallender gingen gedragen. Bovendien werden fatsoenlijke vrouwen in hun vrijheid beperkt, doordat zij bang waren om door een agent te worden aangesproken. Een luchtje scheppen zoals mevrouw De Jong dat deed, was een risicovolle onderneming!

In de samenleving van nu is het haast ondenkbaar dat men zich druk zou maken over politieagenten die een vrouw ten onrechte voor een prostituee zouden kunnen aanzien. De prostituee op de Amsterdamse Wallen is duidelijk van andere vrouwen te onderscheiden doordat er een fysieke grens van glas tussen hen in staat. Het is nog maar de vraag hoe men zou reageren wanneer dergelijke grenzen zouden vervagen. Zouden bezoekers nog steeds op De Wallen rondlopen alsof zij aapjes kijken wanneer vrouwen het risico zouden lopen om voor een prostituee te worden aangezien? Ik betwijfel het sterk. Het wordt vanzelfsprekend gevonden dat prostitutie bestaat – het is ten slotte ‘het oudste beroep van de wereld’. Zelf wil men er echter niet mee geassocieerd worden. Wellicht verschilt men tegenwoordig toch niet zoveel van de bewoners van donker Amsterdam en wordt helaas nog altijd op prostituees neergekeken.

 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

NOTEN

[1] Ton Damen en Hanneloes Pen, ‘Drukte en overlast nemen toe op de Wallen’, 24 september 2016, website Het Parool. http://www.parool.nl/amsterdam/drukte-en-overlast-nemen-toe-op-de-wallen~a4382784/ (12 oktober 2016) en ibidem, ‘Hoe de Wallen een openluchtmuseum worden’, 24 september 2016, website Het Parool. http://www.parool.nl/4382640/ (12 oktober 2016).

[2] Wat bedoelen wij? Inleidend woord gesproken op de openbare vergadering op 26 juli 1888’ (Amsterdam z.j.), 14.

[3] Remieg Aerts, ‘De publieke orde. Openbaarheid en beslotenheid’ in: Remieg Aerts en Piet de Rooy

eds., Geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in aanbouw, 1813-1900 (Amsterdam 2006) 139-216, aldaar 206 en Jan Hein Furnée, ‘Beschaafd vertier. Standen, sekse en de ruimtelijke ontwikkeling van Den Haag, 1850-1890’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 27 (2001) 1-32, aldaar 19-20.

[4] Lotte van de Pol, Het Amsterdams hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw (Amsterdam 1996) 118-122 en 344-345.

[5] Martin Bossenbroek en Jan H. Kompagnie, Het mysterie van de verdwenen bordelen. Prostitutie in Nederland in de negentiende eeuw(Amsterdam 1998) 90, 97, 99-100, 254, Annet Mooij, Geslachtsziekten en besmettingsangst. Een historisch-sociologische studie, 1850-1990(Amsterdam 1993) 71, Piet de Rooy, ‘Een woelige wereldstad, 1883-1893’ in: Remieg Aerts en Piet de Rooy eds., Geschiedenis van Amsterdam, 433-518, aldaar 488 en F. A. Stemvers, Meisjes van plezier. De geschiedenis van de prostitutie in Nederland (Weesp 1985) 68-72.

[6] Wat wenschen wij? Proeve eener verordening ter voorkoming van den overlast, tengevolge der prostitutie (Amsterdam z.j.) 9-12 en 15, aldaar artikel 5, 6, 8 en 13.

[7] Stadsarchief Amsterdam (SA) 15001 Collectie A. Th. Hartkamp (inventaris nr. 212) 18280B-18281A ‘Beteugeling van de openbare onzedelijkheid’, Nieuws van de Dag (28 juli 1888).

[8] Wat wenschen wij?, 12-13, aldaar artikel 10.

[9] SA 15001 (212) ‘Beteugeling van de openbare onzedelijkheid’.

[10] SA 15001 (212) 18227B-18228A ‘Nieuw reglement op de prostitutie’, Asmodée (26 mei 1887).

[11] Ibidem, 18284A ‘De vrouw in Amsterdam’, Asmodée (28 februari 1889).

[12] Wat wenschen wij?, 9-12 en 15, aldaar artikel 5, 6, 8 en 13. Citaat uit artikel 10.

[13] Wat wenschen wij?,, 15, aldaar artikel 13.

[14] SA 5181 Archief van de Secretarie; Afdeling Algemene Zaken (inv. nr. 2761) brief nr. 14510, aldaar G 2190.

[15] SA 15001 (212) ‘Beteugeling van de openbare onzedelijkheid’.

[16] SA 5181 (2797) 17213.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone