Late middeleeuwen (1250-1500)

De late middeleeuwen duurden van 1250 tot 1500. In deze periode kwamen de eenheidsstaten op, was er sprake van meer verstedelijking, handel en welvaart. Daarnaast was er sprake van Hongersnoden en stak de pest de kop op. Ook wordt deze periode gekenmerkt door de Babylonische ballingschap, de Reformatie, het Humanisme en de Renaissance.

Opkomst eenheidsstaten

In de Late Middeleeuwen zette de centralisatie van het bestuur in de meeste Europese landen door. Zo ontstond er in Frankrijk een permanent koninklijk hooggerechtshof, het Parlement, en benoemde de koning voortaan rondreizende enquêteurs die toezagen op de besluiten van rechters. In Engeland ontstond een soortgelijke functie in de vorm van de sheriff. Hiermee verstevigde de koningen hun greep op de lokale rechtspraak, die voorheen in handen was van hun leenheren.

Toch bleven in beide landen de koningen, met name in het geval van geldnood of oorlogen, nog altijd afhankelijk van hun edellieden. Na een opstand in 1215 wist de Engelse adel zelfs af te dwingen dat de koning voortaan geen belastingen meer mocht verhogen zonder dat zij hun toestemming hadden gegeven in het Parlement. Deze en andere afspraken werden vastgelegd in de ‘Grote Oorkonde’, ofwel de ‘Magna Carta’. De Franse adel had met de Staten-Generaal eveneens inspraak, maar omdat dit orgaan alleen bijeen kon komen op verzoek van de koning, was deze veel minder machtig.

Ondertussen werd de Duitse troonstrijd tussen de Welfen en de Staufen in de vroege dertiende eeuw eindelijk beslist door de kroning van Frederik II in 1220. Om zijn positie te handhaven moest Frederik echter grote concessies doen aan de Duitse adel. Zo gaf hij de landvorsten het recht hun eigen munten te slaan, wat een sterke afbreuk deed aan het koninklijke gezag. Na de dood van Frederiks zoon en opvolger, Koenraad IV, was het lange tijd onduidelijk wie de nieuwe koning van Duitsland zou worden. Uiteindelijk betekende dit de opkomst van graaf Rudolf van het huis Habsburg, dat met een uitgekiende huwelijkspolitiek al snel veel macht naar zich toe wist te trekken.

Hongersnoden en de Zwarte Dood

Tot aan 1300 maakte de Europese bevolking een periode van gestage groei door.  Aan het begin van de 14e eeuw kwam hier echter verandering in, met name door een reeks misoogsten tussen 1313 en 1317. Daarnaast raakten Engeland en Frankrijk in deze periode verwikkeld in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453), met honderdduizenden slachtoffers tot gevolg. Door al deze ontwikkelingen liep het bevolkingsaantal van Europa sterk terug.

Deze dalende trend werd nog verder versterkt door de komst van de builenpest, ofwel de Zwarte Dood, in 1347. Vanuit Italië verspreidde de epidemie zich al snel over heel Europa, waar de plaag uiteindelijk naar schatting meer dan 25 miljoen levens eiste. Door het wegvallen van de handel en een tekort aan arbeiders braken er bovendien wederom massale hongersnoden uit, waardoor er nog meer mensen om het leven kwamen.

Pas na enkele jaren nam de epidemie in hevigheid af. Quarantaine van de zieken, betere hygiëne in de steden en het feit dat steeds meer mensen immuun werden voor de ziekte zorgde voor een sterke daling in het aantal slachtoffers. Toch zou het nog tot ver na de Middeleeuwen duren voordat het Europese bevolkingspeil weer het zelfde niveau zou bereiken als aan het begin van de  14e eeuw.

Babylonische ballingschap en de Reformatie

In de loop van de 13e eeuw begonnen de Pausen zich steeds meer te gedragen als machtspolitici. Met name door dreiging met- of het gebruik van excommunicatie probeerden zij invloed uit te oefenen op de Europese vorsten. Maar in het geval van een daadwerkelijk conflict moesten zij het toch vaak afleggen. Zo werd Paus Clemens V in 1309 gedwongen de curie naar Avignon te plaatsen, waardoor hij in feite een gijzelaar werd van de Franse koning.

Pas in 1377 keerde Paus Gregorius IX terug naar Rome. Omdat een aantal Franse kardinalen het hier echter niet mee eens was, benoemden zij hun eigen paus, Clemens VII, die zijn intrek nam in Avignon. In een poging het conflict op te lossen benoemde het concilie van Pisa in 1409 Alexander V tot vervanger van beiden. Omdat de twee anderen hier echter niet mee akkoord gingen, waren er uiteindelijk drie pausen. Door deze gang van zaken en de komst van de Zwarte Dood, die door velen gezien werd als een straf van God, nam het vertrouwen in de Paus als kerkelijk leider in de Late Middeleeuwen steeds verder af.

Er ontstonden dan ook steeds meer religieuze stromingen die zich afscheidden van de katholieke kerk en zich toelegden op de navolging van het ‘ware geloof’. Velen van hen, waaronder de aanhangers van Jan Hus en John Wyclif, werden door de kerk vervolgd als ketters. Toch durfden na verloop van tijd ook steeds meer geleerden en theologen hun kritiek te uiten op het Vaticaan. Eén van hen was Maarten Luther, die met zijn kritiek op de aflatenhandel uiteindelijk (onbedoeld) de aanstoot gaf tot de Reformatie en de opkomst van het protestantisme.

Humanisme en de Renaissance

In de late Middeleeuwen verspreidde de universitaire traditie, ontstaan in de 12e eeuw, zich over geheel Europa. Vanaf 1347 werden er in het Duitse rijk een aanzienlijk aantal universiteiten gesticht, en in 1425 volgden ook de Nederlanden met de oprichting van de universiteit van Leuven. Nog steeds handhaafden de meeste geleerden de methode van de scholastiek, gebaseerd op de regels van de logica en de redeneerkunde.

In de 14e en 15e eeuw ontstond er echter een nieuwe geleerde beweging: de humanistiek. Aanhangers van deze stroming, de humanisten, pleitten voor een terugkeer naar de Latijnse taal en literatuur uit de Oudheid. Door de werken van de klassieken te bestuderen en het Latijn (dat in de loop der eeuwen vervallen was tot een ‘potjeslatijn’) weer in ere te herstellen, wilden zij terugkeren naar de bron van de beschaving.

Deze ‘Renaissance’ (wedergeboorte) van de klassieke cultuur ontstond in Italië  met de werken van Francesco Petrarca (1304-1374). Aanvankelijk richtte de beweging zich met name op de literatuur, maar besloten ook onder andere kunstenaars en architecten terug te grijpen naar de Oudheid. Daarnaast zorgden de opkomst van de boekdrukkunst en de werken van belangrijke noordelijke humanisten, waaronder de Nederlander Desiderius Erasmus (1466-1536), voor een verspreiding van de Renaissance door heel Europa.

Einde van de Middeleeuwen?

Maar ondanks al deze ontwikkelingen vormde de Renaissance uiteindelijk niet de definitieve breuk met de ‘duistere periode’ van de Middeleeuwen, zoals de humanisten en latere historici het graag lieten voorkomen. Weliswaar zorgden de Renaissance en de Reformatie voor een culturele en religieuze omslag in Europa, maar zowel op politiek als economisch gebied werden de ontwikkelingen van de Late Middeleeuwen in de 16e eeuw gewoon voortgezet.

Van een compleet nieuw Europa was in na 1500 dan ook absoluut geen sprake. Toch wordt dit jaartal, of varianten daarop, in de geschiedschrijving over het algemeen gehandhaafd als het einde van de Middeleeuwen, en het begin van een nieuw hoofdstuk in de Westerse geschiedenis: de zogeheten Nieuwe Tijd.