Gisteren voerde het Franse parlement een wet in die ontkenning van de Armeense genocide voortaan strafbaar stelt. De Turkse premier Erdogan beschouwde dit als een zware belediging en besloot direct de diplomatieke banden met Frankrijk te verbreken. Bijna honderd jaar na dato ligt de ‘Armeense kwestie’ van 1915 nog steeds uiterst gevoelig in Turkije.
Eind negentiende eeuw ontstonden er verschillende nationalistische en patriottistische bewegingen in het Ottomaanse Rijk. Ook de Oosters-orthodoxe Armeniërs hoopten op een eigen staat en zij kwamen vanaf 1894 in opstand. De Ottomaanse sultan Abdul Hamid II was echter niet bereid dit deel van zijn rijk op te geven. De Armeense opstanden werden hardhandig neergeslagen en tijdens de daarop volgende Hamidische slachtingen (1894-1896) kwamen er tussen de 100.000 en 300.000 Armeniërs om het leven. In 1897 verklaarde Hamid de ‘Armeense Kwestie’ vervolgens voor gesloten.
Jonge Turken
In 1908 pleegde een groep extreemnationalistische officieren genaamd de ‘Jonge Turken’ een staatsgreep in het Ottomaanse Rijk. Hun ideaal was het zogenaamde pan-Turkisme, een groot aaneengesloten Turks rijk bestaande uit uitsluitend Turkse volkeren. Om dit ideaal te realiseren, organiseerden de Jonge Turken tijdens de Eerste Wereldoorlog massale etnische zuiveringen in Turkije. Vele minderheden, waaronder de Grieken, de Koerden, de joden en de christenen, werden het slachtoffer van deze nationalistische politiek. Op 24 april 1915 arresteerden de Ottomaanse autoriteiten ruim 250 Armeense intellectuelen in Constantinopel en begon ook de vervolging van de Armeniërs.
Deportatie naar Syrië
Niet veel later werd het besluit genomen om de gehele Armeense bevolking, naar schatting tussen de anderhalf en twee miljoen mensen, te deporteren naar de woestijn van Syrië. De Armeniërs moesten de reis te voet afleggen en kregen onderweg geen eten of drinken, waardoor honderdduizenden van hen stierven voordat ze Syrië bereikten. Daarnaast werden er onderweg door aanhangers van de Jonge Turken massale slachtpartijen aangericht onder de Armeniërs, waaronder massaverbrandingen en aanvallen met gifgas. Precieze aantallen zijn er niet bekend, maar schattingen over het totale aantal slachtoffers lopen uiteen van 600.000 tot 1.500.000 doden. Pas na afloop van de Eerste Wereldoorlog in 1918 werd de regering van de Jonge Turken afgezet en kwam er een einde aan de deportaties.
Armeense kwestie
Sindsdien is de ‘Armeense Kwestie’ een uiterst gevoelig onderdeel van de Turkse geschiedenis. Volgens de Turkse regering is het niet correct om te spreken van een genocide, grofweg gedefinieerd als de georganiseerde vernietiging van een bepaalde etnische groepering, omdat er sprake was van een deportatie en niet van een georganiseerde massamoord. Daarnaast benadrukt de Turkse regering dat het aantal slachtoffers veel lager ligt dan de schattingen van vele westerse historici, namelijk tussen de 300.000 en 500.000 doden. Volgens de Turkse premier Erdogan is het daarom absoluut niet terecht om te spreken om te spreken over de gebeurtenis als een genocide. Hij stelt dan ook dat de “racistische wet” van de Franse premier Sarkozy, die het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar stelt, “onherstelbare schade” heeft toegebracht aan de relaties tussen beide landen.















Follow Us!