David Hume over religie
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

David Hume was een Schotse filosoof die vooral bekend is om zijn kennisleer en zijn kritiek op religieuze thema’s. Hij liet zich inspireren door de opkomende empirische wetenschappen in zijn tijd en keerde zich tegen het ‘rationalisme’, een vorm van filosofie bedrijven die volgens hem tot (religieuze) waanideeën kon leiden.

Het leven van David Hume

Hume werd geboren op 26 april 1711 in Edinburgh. Op zesentwintig jarige leeftijd schreef hij zijn belangrijkste werk A Treatise of Human Nature (‘verhandeling over de menselijke natuur’). Hume verkreeg nooit een academische leerstoel, maar werkte als bibliothecaris aan de universiteit van Edinburgh. In die hoedanigheid schreef hij een historisch werk, waarmee hij veel meer bekendheid kreeg dan met zijn eerste boek, History of England (‘geschiedenis van Engeland’). Hume maakte reizen door Europa en raakte korte tijd bevriend met Rousseau, die toen in Frankrijk woonde. Terug in Engeland werkte hij als onder-staatssecretaris voor de buitenlandse politiek in de Engelse regering.

Empirisme versus rationalisme

Hume liet zich in zijn kennisleer in navolging van Francis Bacon en John Locke, inspireren door de opkomst van de empirische wetenschappen. Zo ontstond in Engeland het ‘empirisme’, een opvatting die ervan uit gaat dat (wetenschappelijke) kennis alleen door ervaring verkregen kan worden. Francis Bacon (1561-1626) had de basis voor inductief onderzoek al gelegd, een methode die gebaseerd is op experimenten en waarnemingen. John Locke (1632-1704) had de mens beschreven als een ‘onbeschreven blad’ (tabula rasa), waarmee hij wilde zeggen dat kennis alleen uit ervaring verkregen kon worden.

Dit empirisme was een reactie op het ‘rationalisme’, de opvatting dat (wetenschappelijke) kennis verkregen wordt door de rede. Deze opvatting wordt vaak toegeschreven aan filosofen als Descartes en Leibniz. Er is ook een vorm van religieus rationalisme, een stroming die het geloof op basis van de rede probeert te rechtvaardigen. Zo kon volgens de filosoof Anselmus van Canterbury (1033-1109) het bestaan van God via een logische redenering bewezen worden. Eerst definieerde hij God als het meest volmaakte wezen, oftewel: God is iets waarboven niets groters gedacht kan worden. Als God alleen maar als een idee zou bestaan, is het niet langer datgene ‘waarboven niets groters gedacht kan worden’. Ook is het ondenkbaar dat God niet bestaat, want iets dat bestaat, is volmaakter dan iets dat niet bestaat. En zo moet God wel bestaan.

Het empirisme van Hume

Hume keerde zich tegen dit soort redeneringen a priori (een argument dat vooraf gaat aan de ervaring). Hij vond dat de filosofie zich moest baseren op waarneembare zaken en niet louter op deze a priori hypothesen. Zijn bezwaar was dat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen waarheid en valse waarheid van deze metafysica (hypothesen over God, de ziel en de wereld als geheel). Metafysica is dus eigenlijk geen wetenschap.

Een ander belangrijk bezwaar van Hume was dat hij vond dat de mens geneigd was tot het verzinnen van ijdele waarheden, bijgeloof en fanatisme. Dit staat niet los van de godsdienstoorlogen die Engeland vlak voor Hume’s tijd geteisterd hadden. Religieuze ideeën die zorgden voor menselijke ellende, moesten worden afgewezen. Volgens Hume waren de menselijke religieuze ideeën gebaseerd op angst en machteloosheid. Religie heeft dus geen rationele basis, maar is een sentimentele verklaring voor natuurrampen en andere spelingen van het lot, zo schrijft hij in zijn boek De natuurlijke geschiedenis van de religie.

God, de ziel en het hiernamaals

In een ander werk van Hume, de Dialogues Concerning Natural Religion (dialogen over de natuurlijke religie) valt hij de traditionele thema’s van de metafysica nog eens aan. Ook hier stelt hij dat kennis niet verkregen kan worden via de rede, vooral over thema’s die buiten de menselijke ervaringswereld liggen. God, de ziel en het hiernamaals zijn nog nooit door iemand waargenomen. We kunnen dus over God (evenals zijn vooronderstelde volmaaktheid zoals bij Anselmus) niets weten. Over het hiernamaals zegt hij dat hij die niet nodig heeft om een moreel verantwoord leven te leiden. Hij is niet bang voor consequenties in het hiernamaals, omdat hij veronderstelt dat hij hierover niets kan weten.

Toen Hume op zijn sterfbed lag na een periode van ziekte, dacht hij niet aan het hiernamaals, maar zag hij zijn dood rustig tegemoet. Hume overleed op 25 augustus 1776 in Edinburgh. Zijn vriend, de filosoof en econoom Adam Smith zei over hem: “Al met al heb ik hem, bij zijn leven en na zijn dood, altijd beschouwd als iemand die het ideaal van een volmaakt wijs en deugdzaam mens, zo dicht benadert als de menselijke natuur met al haar zwakheden toestaat.”

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Bronnen:

 

– David Hume: De natuurlijke geschiedenis van de religie, 2011.

– David Hume: Dialogues Concerning Natural Religion, 1998.

– David Hume: A Treatise of Human Nature, 1999.

– Hans Joachim Störig: Geschiedenis van de filosofie, 2005.

– www.isgeschiedenis.nl, David Hume en de zoektocht naar de witte raaf, 25 april 2013.

– www.humanistischecanon.nl, David Hume.

– Afbeelding: Wikimedia.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone