Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Studenten gaan meer schuld opbouwen door de voorgenomen bezuinigingen van het huidige kabinet op het hoger onderwijs. Hiervoor waarschuwde het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) vrijdag. De bezuinigingen op het hoger onderwijs zijn echter niet nieuw en ook in de jaren zeventig werd de riem aangesnoerd. Het collegegeld werd van 1970 tot 1990 zelfs zestien keer zo hoog.

‘Studenten-tijd – gelukkige dagen! waarin het ligchaam altoos vol van kracht, de borst vol van moed, het hart vol van liefde, het hoofd vol van geest en de beurs leeg is. – Dagen van strijd en ontwikkeling, waarin men dweept met al wat edel is, en toch vaak het onedele doet, waarin men God lief heeft boven alles, en toch soms profaneert, waarin men gloeit van menschenmin, en om philanthropie lacht, waarin men rein is als de reinste der engelen tegenover een meisje van zestien jaar, en een Fau Blas [deug-niet] voor een dikke boerenmeid.’ Zo bracht de tekenaar Alexander Ver Huell in 1853 onder woorden wat hij als typerend voor deze bijzondere fase in de jeugd beschouwde.

Studeren voor iedereen

Universiteiten hebben als taak studenten te vormen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond het streven om meer jongeren hoger onderwijs te laten volgen. Het werd in 1978 zelfs vastgelegd in een ministeriële nota, Publicatie van de beleidsnota Hoger Onderwijs voor velen. Tegelijkertijd werden maatregelen tot verkorting van de studieduur getroffen. Tussen 1900 en 2000 is de deelname aan het wetenschappelijk onderwijs explosief gestegen. Aan het begin van de 20e eeuw telde Nederland 2816 studenten die een voltijd opleiding deden. Een halve eeuw later, in 1950, waren dit er 29.720 en in 2000 ruim 153.000. Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal studenten dus in hoog tempo toe.

Aanpassen of doorgaan

Vanaf de Tweede Wereldoorlog begonnen bedrijven steeds meer hoger opgeleiden aan te nemen. Naarmate de twintigste eeuw vorderde kozen steeds meer jongeren voor een wetenschappelijke opleiding. Binnen de tijdspanne van een eeuw was studeren aan de universiteit vanzelfsprekend geworden. Maar aan de grote behoefte van studenten om te studeren, moesten ook de universiteiten kunnen voldoen. Het onderwijs gericht op ‘het doen van onderzoek’, strookte niet meer met de vraag van het bedrijfsleven. Die wilden namelijk breed opgeleide jonge mensen en geen jonge onderzoekers. De universiteiten stonden voor een moeilijke keuzen: aanpassen of op de oude leest doorgaan.

Bezuinigingen

Na 1960 ging de organisatie van het wetenschappelijk onderwijs dan ook volledig op de schop met de overheid als belangrijkste initiator om veranderingen door te voeren. Het beeld van de overheid die veranderingen afdwingt in het wetenschappelijk onderwijs ontstond in deze periode. Naast de verstoring van de balans tussen maatschappij en universiteit, speelden namelijk ook financiële redenen een belangrijke rol. Het bruto nationaal product steeg, maar de uitgaven van de universiteiten stegen ook. Eind jaren zestig was de overheid bang dat het wetenschappelijk onderwijs in de twintig jaar die zouden volgen, de rijksbegroting zou opslokken. Er moest iets gebeuren.

Hervormingen

De overheid besloot dus in te grijpen en hervormingen door te voeren. Dat deden ze langs twee lijnen: de publieke uitgaven van de afgelopen twintig jaar terugbrengen en diversiteit in het onderwijs stimuleren. De eerste stap van de overheid was om de studieduur met 20 procent te verkorten. Daarnaast bezuinigden ze op de begroting van het hoger onderwijs. Ook wilden zij de private uitgaven vergroten door de collegegelden te verhogen. Daardoor was begin jaren negentig het collegegeld zestien keer zo hoog als twintig jaar eerder.

Diversiteit

Aan de andere kant was er vraag naar een grotere diversiteit in het wetenschappelijk onderwijs. Een baan als onderzoeker was niet meer voldoende. De overheid ging de verscheidenheid van het onderwijs zodoende uitbreiden om de studenten voor te bereiden op de professionele praktijk en studenten een brede en academische achtergrond te geven. Ze voerden het baccalaureaatsniveau van drie jaar in, het doctoraal niveau van vijf jaar en het postdoctoraal niveau van zeven tot negen jaar in. In een eeuw tijd zijn de maatschappelijke wensen en verwachtingen van de universiteiten dus drastisch veranderd.

Bezuinigingen 21e eeuw

Ook in de 21e eeuw is er weer een debat ontstaan over de bezuinigingen en nieuwe regels voor het hoger onderwijs, zoals de langstudeerboete. Dat houdt in dat studenten die straks meer dan een jaar extra nodig hebben voor hun studie, per jaar 3000 euro meer betalen. Het wetsvoorstel kreeg een meerderheid van de regeringspartijen, aangevuld met PVV en SGP in juli 2011. De wet gaat op 1 september in, de boete pas in 2012. Het Nibud uit vandaag zijn vrees dat het hogere collegegeld voor langstudeerders en de beperkingen op het ov-recht en de basisbeurs de studieschuld van studenten nog verder zal opdrijven.

Bron: Dorsman L.J,, Knegtmans P.J., Politiek aan de Nederlandse universiteiten sedert 1876 (Hilversum 2006)

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone