houtgas autos tweede wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog reden auto’s op hout

Tijdens de Tweede Wereldoorlog konden gewone burgers nauwelijks nog aan brandstof voor auto’s komen. Alle benzine ging naar het leger. Om toch nog van auto’s gebruik te kunnen maken, werd er creatief gezocht naar alternatieve brandstoffen. Bijvoorbeeld hout. 

Brandstoftekorten tijdens de Tweede Wereldoorlog

Al vroeg in de oorlog ontstond een brandstoftekort onder de burgerbevolking. Voor de oorlogsinspanningen waren aan beide kanten van het front enorme hoeveelheden brandstof nodig en dat betekende dat de meeste benzine naar de strijdende legers ging. In Nederland reden aan het begin van de oorlog ongeveer honderdduizend auto’s in particulier bezit rond en de auto’s die niet door de Duitse bezetter werden gevorderd, kwamen zodoende al snel zonder benzine stil te staan. En naarmate de oorlog langer duurde, kregen ook openbaarvervoersbedrijven te maken met de brandstoftekorten, waardoor bussen bijvoorbeeld niet meer konden rijden. 

Autobezitters en openbaarvervoerbedrijven zochten naarstig naar oplossingen om te kunnen blijven rijden. Bijvoorbeeld door over te schakelen op een andere brandstof: gas. 


Het beste van IsGeschiedenis in je inbox? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! Helemaal niks missen? Volg ons op Facebook!


Gas werd destijds meestal niet uit de bodem gehaald, maar op grote schaal geproduceerd in gasfabrieken. Het gas dat daar gemaakt werd, stond in de volksmond vaak bekend als ‘lichtgas’ of ‘keukengas’, wat de functie ervan meteen duidelijk maakt. Sommige autobezitters kwamen op het idee om dit gas nu ook voor voertuigen te gebruiken. Auto’s werden hiervoor uitgerust met grote, vaak externe gastanks. Hun brandstoftanks waren namelijk niet geschikt om gas in te bewaren. Een groot voordeel was wel dat er aan de motor zelf niet veel veranderd hoefde te worden. Tenminste, als men iets minder motorvermogen en actieradius voor lief nam. Die beperkte actieradius werd door sommige creatieve geesten opgelost door hun auto te voorzien van een gigantische ballon die als brandstoftank diende. 

Het gas dat uit de gasfabrieken kwam, werd voornamelijk gewonnen uit steenkool. Een waardevolle grondstof, want steenkool was ook een belangrijke brandstof voor veel fabrieken, treinen, schepen en de verwarming bij mensen thuis. Daarom grepen sommigen ook terug op een techniek die al veel ouder was dan de benzinemotor: de houtgasgenerator. 

houtgas autos tweede wereldoorlog

Houtgas

Al in 1839 had de Duitse chemicus Gustav Bischof een manier gevonden om brandbaar gas uit hout te winnen, maar die brandstof won het nog niet van steenkool. In 1901 had de Engelsman Thomas Hugh Parker een manier gevonden om met dat systeem auto’s aan te drijven. Hoewel de op houtgas rijdende auto’s qua populariteit al snel werden ingehaald door auto’s die brandstof op basis van olie gebruikten, bleek de op houtgas aangedreven auto in crisissituaties een welkom alternatief. Zo reden er tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk heel wat auto’s rond met houtgasgeneratoren. 

De Franse uitvinder George Imbert bleef in de jaren daarna aan zijn houtgasgeneratoren werken en zijn fabriek bleef houtgasgeneratoren produceren. Zodoende werden er nadat de oorlog in 1940 ook in Nederland uitbrak en benzine schaars werd, heel wat Franse houtgasinstallaties naar Nederland gehaald om het Nederlandse wagenpark in beweging te houden. Ook vanuit Zweden en Duitsland werden veel installaties naar Nederland gehaald. Groot nadeel aan veel van die buitenlandse installaties was echter dat ze vooral op hout werkten. Geen probleem in grote bosrijke landen, maar al snel was duidelijk er in Nederland veel te weinig hout was om het hele wagenpark aan de praat te houden. 

Nederlandse machinefabrieken gingen daarom eigen installaties ontwikkelen. Vaak werkten die Nederlandse generatoren niet op hout, maar bijvoorbeeld op turf. Vooral de installaties van uitvinder Maus Gatsonides werden bekend. 

Gasgenerator op de auto

Voordat een auto op houtgas kon rijden, moest er wel heel wat aan gesleuteld worden. Als brandstof was houtgas dusdanig geschikt dat er aan de motor zelf niet veel veranderd hoefde te worden, maar aan de brandstofvoorziening des te meer. Om houtgas af te vangen moet het hout in een zuurstofarme omgeving verhit worden. Daarna moet het gas nog gefilterd worden, voordat het schoon genoeg is om in een brandstofmotor goed te verbranden. Om dat allemaal voor elkaar te krijgen, is er een flinke installatie nodig. En niet alleen dat: de houtgasinstallatie moest ook nog eens gekoeld worden. Dat betekende dat auto’s moesten worden uitgerust met heel wat extra installaties. Soms was er een aanhanger nodig om de vergasser en alle benodigde brandstof mee te kunnen nemen.  

Houtgas bleek echter niet bepaald een ideale brandstof. De houtgasinstallaties waren niet erg gebruiksvriendelijk. Om het hout te vergassen moest de installatie behoorlijk warm zijn en het kon soms lang duren voor de installatie op temperatuur was. Dat betekende vroeg opstaan voor veel automobilisten. En als de installatie eenmaal brandde, was het vergassingsproces niet zomaar te stoppen. Dat zorgde ervoor dat een ogenschijnlijk eenvoudig autoritje goed gepland moest worden. 

Meer nadelen aan houtgas als autobrandstof

Eenmaal onderweg had het houtgas ook zo zijn beperkingen. Het gas leverde namelijk veel minder vermogen dan normale benzine. Met het extra gewicht van alle installaties en de stapels hout die mee moesten, betekende dat vaak dat auto’s veel minder hard konden rijden en ook niet ver kwamen. Soms kwam een auto zelfs niet eens meer een helling op. 

Zonder risico was het gebruik van de houtgasgeneratoren ook niet. Vaak hadden de gasgeneratoren een hoog improvisatiegehalte, de auto's waar ze op werden geinstalleerd waren in de meeste gevallen niet ontworpen als gasauto, maar als benzine-auto. De combinatie van het gesleutel en brandbaar gas soms tot ongelukken leiden. 

Omdat de kwaliteit van de gasgeneratoren dus in het niet viel bij ‘gewone’ benzine, verdwenen gasgeneratoren na de oorlog vrij snel uit het straatbeeld. In het westen van Nederland stonden veel auto’s toen overigens al een tijd stil. Tijdens de Hongerwinter waren de brandstoftekorten namelijk zo groot geworden, dat de laatste restjes brandstof werden gebruikt om huizen te verwarmen. 

Na de oorlog

Ondanks de grote nadelen aan houtgas als autobrandstof, bleef houtgas de rest van de twintigste eeuw wel in beeld als alternatieve brandstof voor auto’s. Zeker in Scandinavië, waar hout in grote hoeveelheden voorhanden is, wordt nog altijd veel onderzoek gedaan naar houtgasgeneratoren. Hout wordt nog altijd gezien als een makkelijke brandstof om op terug te vallen in tijden van brandstofschaarste. 

Bronnen: 

Ook interessant: 

Rubrieken: 

Tijdperken: 

Onderwerpen: 

Ga mee op ontdekkingstocht naar archeologische vindplaatsen in binnen- en buitenland!

Lees Ons Amsterdam

Iedere maand meeslepende en prachtig geïllusteerde verhalen over de de geschiedenis van Amsterdam.

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief. Het is gratis!

Ontdek Geschiedenis Magazine!