Vroege middeleeuwen (500-1000)

De vroege middeleeuwen beslaan de periode van 500 tot 1000 en luidden de middeleeuwen als geheel in. Kenmerkend voor dit tijdvak waren de vele volksverhuizingen en de invoering van het leenstelsel. Lees in het dossier ‘vroege middeleeuwen’ over het Merovingische en Karolingische Rijk, de Romeinse cultuur, het christendom, de Feodaliteit en het hofsysteem.

Merovingische en Karolingische Rijk

Gedurende de 3e en 4e eeuw werden de Romeinse grenzen voortdurend geconfronteerd met invasies van Germaanse stammen. Het door economische crises en interne machtsstrubbelingen ernstig verzwakte West-Romeinse Rijk bleek hier niet tegen opgewassen. Gedurende de 5e eeuw werd Rome meerdere malen geplunderd en na 476 werd er geen nieuwe keizer meer benoemd.

Het nieuwe bestuur viel in handen van de Germaanse stammen, waaronder de Visi-Gothen in Spanje en de Vandalen in Noord Afrika. Het noorden van Frankrijk viel in handen van de Salische koning Clovis (466-511), die er na een reeks veldtochten in slaagde om alle Franken in zijn rijk te verenigen. Hiermee stichtte hij het Merovingische rijk, vernoemd naar zijn voorvader, de half-mythische Frankische koning Merovech (447-454).

In de eeuwen na de dood van Clovis viel het rijk weer uiteen. Uiteindelijk werden de Merovingische koningen vervangen door de Karolingen, de afstammelingen van hofmeier Karel Martel. In de 8e eeuw was het diens kleinzoon, Karel de Grote (768-814), die het Karolingische rijk tot het machtigste in Europa maakte. Op zijn hoogtepunt heerste hij over vrijwel geheel Frankrijk en grote delen van Duitsland, Nederland en Italië.

Romeinse cultuur en het christendom

Ondanks de val van het West-Romeinse Rijk en de komst van de Germanen ging de cultuur van de Romeinen niet helemaal verloren. Veel van de Germaanse koningen namen verscheidene Romeinse gebruiken over van de lokale adel. Zo vormden zij hun bestuur naar Romeins voorbeeld en handhaafden zij ook op veel plaatsen het Romeinse recht. De katholieke kerk vormde eveneens een belangrijke erfgenaam van de Romeinse cultuur. Zo bleef het Latijn de voertaal van de religie en zorgden de monniken voor een voorzetting van de Romeinse geletterde traditie.

Na verloop van tijd kwamen ook de Germanen en de katholieke kerk dichter bij elkaar. Rond 500 was Clovis de eerste Germaanse koning die zich liet bekeren tot het christendom. Aangezien de christelijke monniken vrijwel de enige geletterden waren in de vroeg Middeleeuwse wereld, was steun van de katholieke kerk van groot belang voor het bestuur van de Germaanse rijken. In de 6e en 7e eeuw slaagden missionarissen er dan ook in om het grootste deel van de Germaanse koningen tot het christendom te bekeren.

Karel de Grote ging nog een stap verder en besloot al zijn onderdanen te verplichten zich te bekeren tot het christendom. Tevens hervormde hij het kerkelijke bestuur en probeerde hij alle lokale religieuze verschillen uit te bannen. Door het creëren van één uniform christendom hoopte Karel de eenheid en stabiliteit binnen zijn rijk te vergroten. Eind 800 schoot Karel met zijn legers Paus Leo III te hulp, die bedreigd werd door diens plaatselijke tegenstanders. In ruil hiervoor kroonde de Paus hem tot keizer van het West-Romeinse rijk, een titel die sinds 476 niet meer in gebruik was.

Feodaliteit en het hofsysteem

De Karolingische samenleving geldt als de bakermat van de feodaliteit en het vazalsysteem. Dit begon in de achtste eeuw, toen Karolingische koningen en hofmeiers op grote schaal land uitleenden aan lokale adelheren. In ruil hiervoor legden deze edelen, leenmannen genaamd, een eed van trouw af aan hun koning, de leenheer. Daarnaast waren zij voortaan verplicht om hem te helpen in het geval van een oorlog.

Op lokaal gebied waren deze leenmannen de directe vertegenwoordigers van het koninklijke gezag. Zij hielden zich niet alleen bezig met de uitbating van het land, maar waren ook verantwoordelijk voor de lokale rechtspraak en de handhaving van de orde. Met name in nieuw veroverde gebieden was een dergelijke vorm van lokaal bestuur van groot belang om  opstanden te voorkomen. Een soortgelijk systeem ontstond in deze periode ook in Engeland, waar de leenmannen ‘thegns’ heetten.

Het leengoed van iedere leenman werd vaak onderverdeeld in twee delen, de grond van de heer (vroonland) en de grond van de boeren. De boeren kregen allemaal een klein gedeelte van de grond van de heer, en in ruil stonden zij een deel van hun eigen opbrengsten (vaak 10%) af. Daarnaast verrichten zij onbetaalde herendiensten, waaronder het bewerken van het vroonland en het verzorgen van het vee van de heer. Dit hofsysteem had grote voordelen ten opzichte van de slavernij, aangezien de boeren in tegenstelling tot de slaven wel een economische prikkel hadden om hard te werken.