Generaal Eisenhower spreekt zijn manschappen toe.
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Regen valt uit een grauw laaghangend wolkenpakket en een tot stormachtig aantrekkende zuidwestenwind stuwt hoge golven tegen de kusten van Normandië. Het eerste diffuse ochtendlicht wordt zichtbaar daar aan de rand van bezet Europa op maandagochtend 5 juni 1944. Een etmaal later vindt de geallieerde invasie plaats op de Normandische kust; een grootschalige militaire operatie van ongelooflijk groot belang voor het verdere verloop van de Tweede Wereldoorlog.

De weken hiervoor werd er een enorme prestatie geleverd door een groep meteorologen om een zo goed mogelijk tijdstip te vinden om de invasie in te zetten. Een historische periode, dit jaar precies zestig jaar geleden (zeventig jaar, 2014, red.). De eisen aan de gestelde weersverwachtingen waren zo hoog en complex, dat dit in die tijd flinke ruzies veroorzaakten tussen de verschillende meteorologen.

Dat het vaak handig is om te weten wat voor weer het wordt, bewijst de geschiedenis van oorlogvoering. Het weer heeft in tijden van oorlog vaak een belangrijke rol gespeeld. Onze wereld van vandaag zou er heel anders uitzien als bepaalde grote veldheren de weersomstandigheden niet hadden gebruikt om de strijd te beslechten. De Germanen konden de Romeinen verslaan nadat hun strijdwagens onverwacht vastliepen in de modder van het natte Noorden. Napoleon verslikte zich in de Russische winter. 

Ook de ondergang van de Spaanse Armada in de zomer van 1588 is een goed voorbeeld van hoe het weer militaire operaties kan beïnvloeden. Met de bedoeling Engeland te overweldigen rustte Filips II een – voor die tijd – enorme vloot uit van 130 oorlogsbodems met ruim 30.000 koppen. Al kort na het vertrek van deze vloot sloeg de ene storm na de andere toe. Na enkele weken keerde door het slechte weer en de zeeslagen slechts de helft van de aanvalsmacht terug. Veel schepen bleken bovendien onherstelbaar beschadigd.

Toen de communicatietechniek in de negentiende eeuw vorderde, kon men gaan denken aan een snelle uitwisseling van meteorologische berichten. Hiermee werd een basis gelegd voor de operationele weerdienst. Maar het waren grote militaire weerrampen die deze ontwikkeling hebben versneld. Tijdens de Krim-oorlog werd in 1854 de Franse oorlogsvloot door een storm getroffen en vijf jaar later werd het machtige Britse oorlogsschip “Royal Charter” in het Kanaal op de rotsen geworpen. Meer van dit soort gebeurtenissen zijn de directe aanleiding geweest tot de instelling van telegrafische stormwaarschuwingsdiensten, waaruit later de meteorologische diensten zouden ontstaan.

In de twintigste eeuw is het vooral de ontwikkeling van de luchtstrijdkrachten geweest die de meteorologische berichtgeving voor de commandovoering van groot belang maakte. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de internationale uitwisseling van weerwaarnemingen gestaakt. De strijdende partijen voorzagen zichzelf zoveel mogelijk van informatie door eigen krijgsmachtonderdelen, zoals meteorologische luchtverkenningen en marineweerschepen. Onder deze omstandigheden moest Generaal Eisenhower zijn verstrekkende besluit nemen tot de geallieerde invasie op de Normandische kust (met codenaam ‘Operation Overlord’), waarbij het weerbericht mede van cruciaal belang was.

Voorbereidingen D-day

Al in de zomer van 1943 waren de geallieerden druk bezig met de logistieke dilemma’s en onvoorstelbaar ingewikkelde details van een militaire invasie in West-Europa. De meteorologische voorbereiding werd in eerste instantie getroffen door het (civiele) British Meteorological Office vanuit de omgeving van Londen. Later werd er een meteorologengroep samengesteld uit zowel Britse als Amerikaanse meteorologen. Uiteindelijk werd er een afvaardiging gevormd vanuit de landmacht, de luchtstrijdkrachten en de marine. Er ontstonden zo drie centrale weerdiensten op verschillende plaatsen in Engeland die via speciaal beveiligde telefoonverbindingen communiceerden.

Aanvalsplan D-Day

Aanvalsplan D-Day

 

Bij de voorbereidingen moest men met een breed scala van klimatologische factoren rekening houden. In de eerste plaats was er een zeer gevarieerd aanbod van volstrekt nieuw materiaal zoals amfibische tanks en speciale landingsvaartuigen die de eerste golf van aanvalstroepen vrijwel op het strand konden afzetten. Tegelijkertijd zouden gespecialiseerde eenheden zoals luchtlandingstroepen, squadrons voor precisie bombardementen en raketjagers voor het bestoken van gronddoelen worden ingezet. Het overbrengen van de reusachtige grondstrijdmacht zou het uiterste vergen van de Marine. Het was dan ook voor de meteorologen onmogelijk om eenduidige condities vast te stellen waaraan het weer tijdens de invasie en de daaropvolgende dagen voor de verschillende eenheden zou moeten voldoen.

Eerste vooruitzichten 

Op zondag 28 mei werden de eerste vooruitzichten gepresenteerd. Via de speciaal beveiligde telefoonverbindingen werden per dag twee telefoonconferenties gehouden, om 4 uur in de ochtend en om half tien in de avond. Men was in eerste instantie zeer optimistisch. Al enkele weken achtereen zorgden uitlopers van het Azoren-hogedrukgebied voor fraai en stabiel weer. Unaniem was men van mening dat het gunstige weer meerdere dagen achtereen zou aanhouden. Echter op dinsdag 1 juni begon het echte werk voor de weerkundigen. En dan niet alleen omdat de geplande invasiedag naderde, maar vooral vanwege de ontwikkelingen op de weerkaart.

Men had in die tijd nog geen beschikking over standaard bovenluchtwaarnemingen, laat staan satellietfoto’s en weermodellen. Men was afhankelijk van de grondwaarnemingen op de Britse eilanden maar vooral die van schepen op de Atlantische Oceaan. Men stuurde overigens veel verkenningsvluchten uit om waarnemingen ten westen van de Britse eilanden te verrichten. Dit waren zeer waardevolle aanvullingen in het meetnetwerk. Op deze eerste junidag bleek dat zich geleidelijk een gordel van lagedrukgebieden ontwikkelde vanaf de oostkust van Amerika tot in het zeegebied tussen IJsland en Schotland.

Ruzie 

De analyse die de meteorologen op 3 juni 1944 in de avonduren met de hand maakten, wekte grote zorgen bij het opperbevel, dat onder leiding stond van generaal Eisenhower. Het ‘golvende’ front tussen 53 en 60 graden Noorderbreedte bevatte meerdere depressies. Met argusogen werd er een timing gemaakt waarop het koufront ten westen van depressie nummer 2 zou gaan afzakken tot over de Britse eilanden en het Kanaal. Als het front in de periode 4-7 juni zou gaan “slepen” over het Kanaal, dan betekende dat slechte condities, met waarschijnlijk ook veel wind aan de voorzijde van het front.

Op zondagochtend spraken de verschillende meteorologen elkaar zo tegen (een telefoonconferentie hierover verliep in een ruzieachtige sfeer), dat Eisenhower al zat te denken om de invasie zelfs tot 7 juni uit te stellen.

Zondagavond laat op 4 juni bleek uit de analyse dat er twee depressies waren samengesmolten tot 1 laag net noordwest van Schotland. Het daaraan verbonden koufront had flinke vorderingen gemaakt en trok die avond Engeland al binnen. Zondagavond werd duidelijk dat het koufront op maandagmiddag 5 juni het Kanaalgebied en de invasiestranden zou passeren, zodat tijdens de landing op dinsdagochtend 6 juni de condities beter zouden zijn dan aanvankelijk ingeschat. Opnieuw brak er ruzie uit tussen de weerkamers, omdat men hun zorgen uitte over depressie nummer 3 die later op woensdag 7 juni alweer voor slechte condities zou kunnen zorgen (zie weerkaart 4 juni).

Weerskaart 4 juni 1944: 18.00 uur GMT, op basis waarvan werd besloten de eerste aanval op 6 juni uit te voeren. Bron: Meteorologica

Weerskaart 4 juni 1944: 18.00 uur GMT, op basis waarvan werd besloten de eerste aanval op 6 juni uit te voeren. Bron: Meteorologica

In het beslissingsproces was het volgen van de rug van hogedruk ten westen van Ierland cruciaal, hier bleven alle ogen op gericht. Extra verkenningsvluchten bevestigden de aanwezigheid van een tamelijk ruim gebied met gebroken bewolking en goed zicht dat inmiddels Ierland bereikte. Men bereikte unanimiteit over de korte termijnontwikkeling.

De volgende ochtend – 5 juni 1944 om 04.30 uur – werd het sein op groen gezet. Het koufront was op dat moment het zuiden van Engeland gepasseerd. De invasiemacht kon onder het wolkenpak het Kanaal overtrekken, terwijl in het westen de eerste opklaringen zichtbaar werden.

D-DAY

Tijdens de eerste landingen in de vroege uren van 6 juni was het weer boven de aanvalsgebieden nog beter dan verwacht, maar er waren ook tegenslagen. Verder landinwaarts bemoeilijkten de nog aanwezige wolkenlagen vele bombardementen op strategische doelen. Boven het Kanaal en langs de stranden was de wind weliswaar afgenomen, maar ruwweg 1 Beaufort sterker dan verwacht. Op de weerkaart waren de inmiddels samengesmolten lagedrukgebieden (nummer 1/2) sterk opgevuld, maar volstrekt onvoorzien naar het zuidoosten afgebogen. Het centrum kwam boven het midden van de Noordzee te liggen. Veel stranden waren minder breed dan gedacht en op enkele stranden veroorzaakte de nog aanwezige golfslag veel ellende.

Toch was D-DAY een succes. Dit was te danken aan het enorme verrassingseffect. De Duitse legerleiding werd totaal overrompeld omdat een oversteek, waar dan ook langs de Franse Westkust, tijdens dergelijk slecht weer (zoals het was op 5 juni) voor onmogelijk werd gehouden.

Als Eisenhower D-day had uitgesteld, dan zou de eerstvolgende periode; 17-19 juni 1944 geweest zijn. Curieus is dat juist in deze periode er totaal onverwacht een windkracht 7 opstak in het Kanaal waarbij heel wat kunstmatige havens in de Amerikaanse sector verloren zijn gegaan. Een invasie in die periode had op een ramp zijn uitgelopen.

Duitse weerdienst

De Duitse meteorologen in Frankrijk konden geen goed overzicht krijgen van het weer op de Atlantische Oceaan, omdat hun Marine al grotendeels was vernietigd. Verder kwamen de Duitse luchtstrijdkrachten nauwelijks meer boven het luchtruim van Engeland, vanwege de enorme verliezen die ze hadden geleden en de verhevigde strijd in het oosten van Europa. Het gevolg was dat de Duitse meteorologen de opklaringen op de bewuste dinsdagochtend nooit hebben zien aankomen!

Vanwege de goede maandstand en het getij hadden de Duitsers 5, 6 en 7 juni bestempeld als een periode met een hoog risico voor een invasie van de geallieerden. De Duitse meteorologen gingen er op basis van hun eigen analyse vanuit dat de dagen na 5 juni door het verwachte weer ongunstig zouden zijn. Men had de bewaking op de kust en offshore (via duikboten) wat teruggeschroefd. Juist in die eerste uren van 6 juni gingen er geen Duitse duikboten het Kanaal in. Zodoende konden de Geallieerden zich tot op 15 km uit de Franse kust rangschikken langs een lijn van 100 km.

Toen de Duitse generaal Rommel op 5 juni de Duitse weersverwachting voor ogen kreeg, die voorzag in aanhoudend slecht weer, rekende hij dus niet meer op een invasie. Hij vertrok dezelfde dag nog naar Berlijn om met Hitler te praten!

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Informatie

Artikel afkomstig uit Het Weer Magazine, jaargang 5, nr. 2 uit 2004, p. 6 t/m 9

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone