Tweet about this on TwitterShare on Facebook1Share on Google+0Pin on Pinterest22Email this to someone

Een Duitse jongen van 11 heeft het noodnummer van de politie gebeld om te klagen over dwangarbeid, nadat zijn moeder hem had gesommeerd te helpen met opruimen. Dat meldt de Duitse website an-online. Voor 1874 was kinderarbeid in Nederland doodnormaal. Het was de tijd van de Industriële Revolutie.

De kleine vingertjes van de kinderen konden kleine dingen in de fabrieken maken waar grote mensenhanden niet geschikt voor waren. Kinderarbeid was ten tijde van de Industriële Revolutie heel gebruikelijk. Sommigen historici, zoals Jane Humphries, professor economische geschiedenis aan de Oxford University, is zelfs van mening dat de Industriële Revolutie zonder kinderarbeid niet tot stand zou zijn gekomen.

Industriële Revolutie

De uitvinding van de stoommachine in de achttiende eeuw markeerde het begin van de Industriële Revolutie. Er kan gesproken worden van een ‘revolutie’, omdat er in 150 jaar tijd, van ongeveer 1770 tot 1920, meer veranderde dan de paar eeuw daarvoor. Het agrarische Europa veranderde in een stedelijke samenleving met een explosieve bevolkingsgroei. Door uitvindingen als de stoommachine, vond er een massale toename van de productie plaats. Er kwamen steeds meer fabrieken en de vraag naar arbeid steeg. De fabriekseigenaren waren dan ook op zoek naar goedkope en snel lerende werkkrachten. De kinderen uit de stedelijke arbeiderswijken voorzagen in deze vraag. Daar werd gretig gebruik van gemaakt. In de periode tussen 1821 en 1850 werkte 60 procent van de tienjarige jongens uit de arbeidersklasse in Engeland.


Titel:Het Kinderwetje van Van Houten – Sociale wetgeving in de negentiende eeuw
Auteur:Willemien Schenkeveld
ISBN:906550463X
Uitgever:Verloren
Prijs:€10,-

 

 


Wind- en watermolens

Terwijl in Engeland de Industriële Revolutie al een eeuw aan de gang was, vond de omwenteling in Nederland pas tussen 1850 en 1890 plaats. In Engeland was een massale uitbreiding van de fabrieksmatige productie tot stand gekomen. Ondanks het rijke verleden van de Republiek der Nederlanden, lukte het niet om Groot-Brittannië te volgen op het gebied van de nieuwe technieken. In Engeland had de uitvinding van de stoommachine de industrie een impuls gegeven. Maar in Nederland was stoom nog niet één, twee, drie aangeslagen. De Nederlandse regering had aan het begin van de 19e eeuw juist veel geld geïnvesteerd in wind- en watermolens. Daarnaast werden stoommachines gestookt met kolen en kolen waren in Nederland in die tijd erg duur. De enige plek in Nederland waar kolen beschikbaar waren, was Limburg. Maar het economische hart van het land lag in de kustprovincies waarvan goederen en materialen verscheept werden.  

Economische malaise

Een ander probleem was de slechte economische situatie. Willem I (1772-1843) werd in 1813 koning van een economisch onstabiel land. Er waren voor die tijd oorlogen geweest tegen het Frankrijk van Napoleon Bonaparte en Engeland had een handelsblokkade opgericht, wegens de Napoleontische oorlog. De schulden waren opgelopen van 4 miljoen in 1788 naar 1,8 miljard in 1810. De economie in de zuidelijke Nederlanden was gezond, maar in het noorden waren er grote problemen. Ook de hoge uitgaven van Willem I verergerden de staat van de Nederlandse staatskas.

Onafhankelijkheid België

Daarnaast was de onafhankelijkheidsstrijd in 1830 van de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België, in volle gang. De grenzen werden in die tijd bewaakt door staande legers om België weer terug te krijgen. Ook toen de strijd eigenlijk al was gestreden. Dat kostte de staat veel geld en de staatsschuld liep nog meer op. De strijd was gestreden en de Nederlandse koning trok zijn troepen in 1831 terug. Willem bleef echter geld als water uitgeven en in 1840 was de maat vol voor de Kamer. Voor het eerst in de geschiedenis werd de begroting verworpen. In dat zelfde jaar trad Willem I af en liet het koninkrijk in slechte economische positie achter. Zijn zoon Willem II volgde hem op. De industrie in de Nederlanden had zich in die tijd met name gecentreerd in de Zuidelijke Nederlanden. Toen België in 1830 onafhankelijk werd moest Nederland dan ook een grote economische tegenslag verwerken. Het noorden had zich tot die tijd niet echt bezig gehouden met de industrie.

Industrie in Nederland

Vanaf 1860 waren de overheidsfinanciën weer enigszins hersteld. Liberalen, zoals Thorbecke, gingen de vrijhandel bevorderen. De invoering van het cultuurstelsel in Nederlands-Indië zorgde voor extra inkomsten uit de kolonie. Het cultuurstelsel hield in dat de inheemse bevolking bij wijze van pacht twintig procent van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt. De Nederlandse economie kwam er weer langzaam bovenop. Daardoor kon de Nederlandse overheid weer investeren in nieuwe infrastructuur zoals het Noordzeekanaal, dat gebouwd werd tussen 1865 en 1876. Ook werd er gewerkt aan een uitbreiding van het spoorwegnet. Dit deed de prijs van steenkool, ook buiten de mijnbouwgebieden, sterk dalen, zodat deze grondstof in het hele land beschikbaar kwam.

 Kinderen aan het werk

In de loop van de negentiende eeuw kwamen er zodoende steeds meer fabrieken met stoommachines in Nederland. De arbeiders die in de fabrieken werkten moesten lange dagen maken voor weinig loon. Het was te weinig geld om vrouw en de kinderen van te onderhouden. Het resultaat was dat ook vrouwlief en de kinderen aan het werk werden gezet. De werkweek die de kinderen moesten ondergaan was niet mis. Sommige kinderen werkten al vanaf hun vijfde jaar en soms wel twaalf uur op een dag. Fabrieksdirecteuren maakten graag gebruik van kinderen als werkkracht. Ze waren namelijk niet alleen handig vanwege hun kleine vingertjes, maar waren ook goedkoper dan volwassenen. De arbeidsomstandigheden in die tijd waren slecht en het werk was gevaarlijk. Daarnaast was er een groot aanbod van werkkracht, waardoor de lonen laag konden worden gehouden. Veel mensen zagen geen kwaad in de kinderarbeid. In de landbouw kwam dit namelijk al eeuwen voor. Maar eind 19e eeuw kwam daar verandering in.

Kinderwetje van Van Houten

In 1874 diende het links-liberale kamerlid Samuel van Houten een wet in: De Wet houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen, beter bekend als het Kinderwetje van Van Houten. Het was de eerste wet die in Nederland de kinderarbeid zou beperken. In de wet werd besloten dat kinderen jonger dan 12 jaar niet meer in de fabrieken mochten werken. In de eerste jaren na het uitvaardigen van de wet werd er niet toegezien op het naleven van de wet door de fabriekseigenaren. In de praktijk veranderde er dus weinig. Maar met het invoeren van de leerplicht in 1901, kwam er ook echt een einde aan de kinderarbeid in de fabrieken.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook1Share on Google+0Pin on Pinterest22Email this to someone