Verdrag van Maastricht

D-day in Europa: als Rome brandt, brandt iedereen. Weigert Berlusconi vanavond het bezuinigingspakket te presenteren, dan ligt het reddingsplan voor de euro aan diggelen, schrijft de Volkskrant vandaag. We kunnen het ons allemaal nog wel herinneren: de invoering van de euro. De nationale munt werd vervangen door een Europese variant. De eerste Europese toenadering kwam na de grote depressie in de jaren dertig tot stand.   

Voor de geschiedenis van het streven naar Europese economische integratie moeten we teruggaan naar de jaren dertig van de twintigste eeuw. Door de depressie in die jaren werd het handelsverkeer in Europa ernstig belemmerd door tariefmuren en quota. Na de Tweede Wereldoorlog gingen een aantal Europese landen zich dan ook inzetten voor liberalisering van de handel en verdere economische samenwerking. Deze ontwikkeling werd onder andere als voorwaarde gesteld door de Verenigde Staten voor de verdeling van de Marshall-hulp. Een eerste stap was de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die in 1952 van start ging en waar zes landen aan deelnamen. Dat waren: de drie Beneluxlanden, Frankrijk, West-Duitsland en Italië. Ze stelden onder andere gemeenschappelijke prijzen vast voor kolen en staal.

Europese Economische Gemeenschap

De economische samenwerking tussen deze EGKS-landen kreeg een breder draagvlak bij het Verdrag van Rome in 1957. Toen werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht. In een aantal fasen wilden de zes lidstaten van de EEG een gemeenschappelijke markt creëren. Dit streven werd bijna veertig jaar later, in 1992, grotendeels gerealiseerd. Inmiddels was er tussen de, inmiddels twaalf landen tellende, lidstaten een douane-unie en vrij verkeer van arbeid en kapitaal ingevoerd.

Verdrag van Maastricht

Op 7 februari 1992 werd in Maastricht onder grote aandacht het Verdrag van Maastricht getekend. Onder de nieuwe naam ‘Europese Unie’ worden drie zogeheten pijlers opgericht. Er werd toen onder andere bepaald dat er een Economische en Monetaire Unie gevormd moest worden met een aparte munteenheid, die de ‘euro’ genoemd zou worden. Ze besloten tot de invoering van een gemeenschappelijk munt op 1 januari 1999. Voor de invoering van de monetaire unie werd de “Maastrichtnorm” afgesproken, een Europese begrotingsdiscipline. Verder werd er een kader ontworpen voor de toekomstige politieke en economische eenwording. Het verdrag werd ondertekend door België, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk. Op 1 januari 2001 voegde Griekenland zich er als twaalfde land bij.

Invoering van de Euro

De gemeenschappelijke Europese munt werd inderdaad op 1 januari 1999 ingevoerd. Vanaf die datum werd het geldverkeer binnen de Europese Unie nog slechts in euro’s geregeld. De nationale centrale banken en het gehele bankwezen in de Europese Unie voerden onderlinge transacties in euro’s uit en ook nieuwe overheidsschulden werden in euro’s uitgegeven. Ook is op die datum de koers van de euro vastgesteld op 2,20371 gulden. Drie jaar later, op 1 januari 2002, werd de munt ook daadwerkelijk in circulatie gebracht. De munten en bankbiljetten werden op 1 januari 2002 gelijktijdig ingevoerd in de 11 landen van de Europese Unie tijdens de grootste monetaire omwisselingsoperatie aller tijden.

Stabiliteitspact 2011

Maar door de crisis die in de zomer van 2007 op de markten ontstond, hebben veel landen zich niet aan de afspraken van de stabiliteitspact, die in het Verdrag van Maastricht waren vastgesteld, gehouden. De staatsschulden liepen daardoor op en het vertrouwen in de Euro werd steeds minder.

Share