Autoloze zondag
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Jimmy Carter noemde het oplossen van de oliecrisis van 1973 het ‘morele equivalent van oorlog’. De oliecrisis had een direct gevolg op het dagelijks leven. Zo kondigde de Nederlandse overheid in de winter van 1973 een reeks autoloze zondagen aan. In hetzelfde jaar moesten automobilisten in de Verenigde Staten minstens twee uur in de rij staan voor benzine en in Japan demonstreerden taxichauffeurs tegen de hoge benzineprijzen. Hoe kon dit gebeuren?

Op 6 oktober 1973 begon de Jom Kipoer oorlog in het Midden Oosten. Israël werd aangevallen door een coalitie van Arabische staten onder leiding van Egypte en Syrië. Tijdens deze oorlog werd Israël gesteund door Westerse landen zoals de Verenigde Staten en Nederland. Als tegenreactie besloten de Arabische landen, verenigd in de OPEC, om de prijs van olie te verhogen. Binnen twee weken tijd was de prijs verviervoudigd van 3 dollar per vat naar 12 dollar. Deze prijsverhoging had een grote invloed op de economie en leidde tot de grootste economische crisis sinds de jaren ’30.

Olievoorraden van de OPEC

Er zijn meerdere verklaringen te geven waarom de OPEC in de gelegenheid was om de prijzen zo drastisch te verhogen. Allereerst was olie van groot belang voor de economie en waren er nauwelijks grondstoffen die olie konden vervangen. Hierdoor was men genoodzaakt om olie te blijven gebruiken, ondanks de prijsverhoging. Daarnaast was een groot deel van de olievoorraden in de wereld in handen van enkele OPEC leden, waardoor ze in staat waren om veel invloed uit te oefenen op de prijs. Tevens was er geen noodzaak voor hen om de olie te verkopen, wat betekende dat ze het van de markt konden afhouden om zo de prijs te laten stijgen.

Links aan de macht

Doordat de prijs van olie omhoog ging, ontstond er inflatie in alle industriële landen. Producten werden immers duurder dus consumenten konden minder kopen met dezelfde hoeveelheid geld. In de jaren ’70 was het gemiddelde inflatiepercentage in de OESO-landen zo’n 10 procent. Daarnaast ontstond er een grote depressie; de industriële productie daalde en de werkloosheid steeg. De oliecrisis van 1973 maakte een einde aan een tijdperk van economische groei, volle werkgelegenheid en stabiele prijzen.

Morele equivalent van oorlog

Naast een economische crisis ontstond er door het tekort aan olie ook een energiecrisis. President Jimmy Carter achtte het oplossen van de energiecrisis zo lastig, dat hij het in een speech in 1977 een ‘morele equivalent van oorlog’ noemde. Tijdens een oorlog moet het hele land samenwerken en zich inzetten om deze ‘oorlog’ te winnen. Carter stelde dat dit nu ook noodzakelijk was om de vraag naar olie te verlagen en om onafhankelijker te worden qua energie. Door deze crises wisten vakbonden hun positie te versterken en overal in Europa kwamen linkse, socialistische overheden aan de macht.

Oliecrisis van 1979

In 1979 verhoogde de OPEC de olieprijzen, waardoor de prijzen opliepen tot het drievoudige. De prijs van een vat olie werd verhoogd van 12 naar 33 dollar. Aan de vooravond van de oliecrisis in 1973 kostte een vat olie nog slechts 3 dollar. Om de economische schade te beperken besloten de overheden in de Westerse wereld om de economie te stimuleren. Er werden miljarden dollars in de economie gepompt en miljoenen banen werden gecreëerd in de publieke sector. In 1983 zorgde de overheid in de Westerse wereld voor 20 procent van alle werkgelegenheid. Tussen 1971 en 1983 steeg de gemiddelde overheidsuitgave van 33 procent tot 42 procent van het BBP. In Nederland stegen de overheidsuitgaven van 49 procent tot 66 procent. Voor overheden was het aantrekkelijk om geld te lenen, omdat de rente achterbleef bij de inflatie waardoor de overheden gratis aan geld konden komen.

De gevolgen van het overheidsbeleid

Het creëren van banen in de publieke sector en het stimuleren van de economie zorgde ervoor dat de begrotingstekorten van de overheden in de Westerse wereld gemiddeld 10 procent bedroeg. De economische crises werd niet opgelost en de inflatie bleef hoog. Dit leidde ertoe dat politici zoals Margareth Thatcher en Ronald Reagan aan de macht kwamen en een nieuw economisch beleid introduceerden. In een notendop bestond dit beleid uit minder belastingen, minder regulatie en minder overheidsuitgaven. In Nederland kwam Ruud Lubbers aan de macht en begon met bezuinigingen. In de jaren ’80 en begin jaren ’90 heeft Lubbers in drie kabinetten de overheidsuitgaven weer op orde gebracht. Vandaag de dag staan we voor eenzelfde bezuinigingsopdracht van miljarden euro’s. 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Leestips-Boeken

 

Titel:Verborgen krachten. Nederlanders op zoek naar energie
Auteur:Ad Maas en Tiemen Cocquyt
ISBN:9789087042554
Uitgever:Verloren
Prijs:€ 12,-

 

 

 

 


 

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone