Geschiedenis van de politie in Nederland
Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone

Naar aanleiding van de terroristische aanslagen in Europa worden er nieuwe schutters opgeleid die naast het dienstwapen een pistoolmitrailleur bij zich dragen. Deze agenten vormen een aparte bewakingseenheid. Napoleon voerde tijdens de Franse Tijd de eerste centraal aangestuurde politie in.

In de Middeleeuwen zorgden de lokale schuttersgilden of baljuwschappen voor de handhaving van de orde en de veiligheid. Dit gebeurde naar aanleiding van de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1581. De schuttersgilden werden meestal ingedeeld volgens de wijk waarin zij woonden of het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog of het geweer. De schout, de baljuw en de schoutsdienaren zagen toe op de ordehandhaving, maar voerden vooral justitiële procedures uit.

Napoleon

Nadat Nederland in 1810 bij het Franse keizerrijk van Napoleon werd ingelijfd, voerde Napoleon de eerste centraal aangestuurde politie in ons land in. Toen Nederland in 1813 weer onafhankelijk werd, werd deze ontwikkeling doorgezet. Steden en dorpen konden individueel geld vrijmaken voor een schout of een veldwachter. Veel eisen werden er aan deze handhavers van de orde echter nog niet gesteld en een groot en sterk uiterlijk waren vaak voldoende om de baan te krijgen. Er werden echter ook centraal aangestuurde politiekorpsen ingesteld.

Verschillende politiekorpsen

Op 26 oktober 1814 richtte Willem I het Corps de Marechaussée op. Deze moest de verdwenen Franse gendarmerie vervangen. Dit korps was militair van aard en het personeel zat dan ook in een kazerne. Dit korps moest voor het landelijke politietoezicht zorgen. Het duurde echter nog wel even voordat deze politie overal in het land aanwezig was. In 1858 werd hierom het Korps Rijksveldwacht opgericht. Op het platteland was het namelijk nog vrij slecht gesteld met het politietoezicht. Dit korps moest de orde handhaven op het platteland. Daarnaast kregen de verschillende gemeenten een eigen politiekorps.

2701 ontruiming marechaussee politie geschiedenis

De Marechaussee in actie (1980).

Vijf politiekorpsen

Omdat ook de minister van Defensie nog een politiekorps onder zijn verantwoordelijkheid had, waren er vijf verschillende politiekorpsen ontstaan die eigenlijk allemaal dezelfde taak hadden onder een andere baas. Het Korps Marechaussee bedroeg ongeveer 1200 man en stond onder de verantwoordelijkheid van de ministers van Defensie en Justitie. Het Korps Rijksveldwacht stond onder de minister van Justitie en bedroeg ongeveer 1400 man. De gemeentepolitie, ongeveer 11.000 man, viel onder de minister van Binnenlandse zaken. Daarnaast waren er de politietroepen van de minister van Defensie, die ongeveer 1600 man bedroegen, en de veldwachters die onder de verantwoordelijkheid van de plaatselijke burgemeester vielen.

Wapens

Vanaf 1900 was de politie en de uitrusting nog niet algemeen georganiseerd. Het is wel bekend dat straatagenten een sabel, een signaalfluitje en een knevelketting bij zich droegen. Zo’n veertig jaar later werden daar een karabijn, een revolver, een gummistok en een boeiketting aan toegevoegd. Het werd destijds wel een voorkeur gegeven aan het gebruik van de gummistok, in plaats van ordehandhaving met een sabel.

 


Titel: Vrouwen van kaliber – Politievrouwen in de twintigste eeuw
Auteur: Nelleke Manneke
ISBN: 9075851030
Uitgever: Verloren
Prijs: €19,-

 

 


Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde de verdeling van politiekorpsen in Nederland. De politietroepen werden verdeeld over de Marechaussee, de Rijksveldwacht en de gemeentepolitie. Al deze agenten werden in 1942 onder de directeur-generaal van Politie geplaatst. Later verdween de scheiding tussen gemeentelijke en rijkspolitie en werd de gemeentepolitie omgevormd tot de Staatspolitie. Op dat moment bestond de politie uit ongeveer 20.000 man. Na de oorlog hadden veel Nederlanders het gevoel dat bijna alle politieagenten met de Duitsers hadden samengewerkt. Weer werd de samenstelling van de politiekorpsen veranderd. Gemeenten met meer dan 25.000 inwoners kregen een eigen gemeentepolitie onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. In de rest van het land werd de orde gehandhaafd door het Corps Rijkspolitie onder de leiding van de minister van Justitie.

Rampjaar

Dit systeem werd gehandhaafd tot 1966, dat ook wel ‘het rampjaar van de politie’ wordt genoemd. De politie kreeg in de jaren ’50 en ’60 onder andere te maken met nozems, provo’s, ludieke acties op het Spui en studentenprotesten. In 1966 liep de trouwerij van prinses Beatrix en Claus von Amsberg uit op een veldslag tussen de politie en demonstranten. De Commissie Enschedé moest onderzoeken hoe dit allemaal kon gebeuren. Deze commissie kwam met twee conclusies. De eerste was dat het met de professionalisering van de politie slecht gesteld was. De tweede conclusie was dat de politie vervreemd was van de huidige maatschappij. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de hoofdcommissaris van dat moment, Hendrik Jan van der Molen, ontslagen werd. Hij zou niet goed op hebben getreden tijdens de ongeregeldheden. Als reactie op deze tumult werden er waterwerpers en panterwagens aangeschaft eind jaren ’60 en begin jaren ’70.

geschiedenis politie

Politieagenten houden Beatlesfans in bedwang (1964).

Reorganisatie

In 1993 werd de organisatie van de politie drastisch gereorganiseerd. De Rijks- en gemeentepolitie verdwenen en het land werd opgedeeld in vijfentwintig regio’s. Elke regio werkte zelfstandig onder de leiding van een korpschef. Naast de vijfentwintig regio’s kwam er nog een landelijk opererend korps, het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Vanaf 2013 werden alle korpsen samengevoegd en werd de politie één organisatie onder leiding van een korpschef.

Tweet about this on TwitterShare on Facebook0Share on Google+0Pin on Pinterest0Email this to someone