Geschiedenis van de politie in Nederland

De Tweede Kamer debatteert vanmiddag over de vraag of de Nationale Politie er moet komen. Met de vorming van de Nationale Politie wil minister Opstelten de huidige vijfentwintig regio’s terugbrengen tot tien. VVD, CDA en PVV steunen het voorstel, maar de oppositie twijfelt nog. Toen Nederland onder het Franse Keizerrijk viel, werd er in Nederland al een nationale politie ingevoerd.

In de Middeleeuwen zorgden de lokale schuttersgilden voor de handhaving van de orde en de veiligheid. Deze gilden werden meestal ingedeeld volgens de wijk waarin zij woonden of het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog of het geweer.

Napoleon

Nadat Nederland in 1810 bij het Franse keizerrijk van Napoleon werd ingelijfd, voerde Napoleon de eerste centraal aangestuurde politie in ons land in. Toen Nederland in 1813 weer onafhankelijk werd, werd deze ontwikkeling doorgezet. Steden en dorpen konden individueel geld vrijmaken voor een schout of een veldwachter. Veel eisen werden er aan deze handhavers van de orde echter nog niet gesteld en een groot en sterk uiterlijk waren vaak voldoende om de baan te krijgen. Er werden echter ook centraal aangestuurde politiekorpsen ingesteld.

Verschillende politiekorpsen

Op 26 oktober 1814 richtte Willem I het Corps de Marechaussée op. Deze moest de verdwenen Franse gendarmerie vervangen. Dit korps was militair van aard en het personeel zat dan ook in een kazerne. Dit korps moest voor het landelijke politietoezicht zorgen. Het duurde echter nog wel even voordat deze politie overal in het land aanwezig was. In 1858 werd hierom het Korps Rijksveldwacht opgericht. Op het platteland was het namelijk nog vrij slecht gesteld met het politietoezicht. Dit korps moest de orde handhaven op het platteland. Daarnaast kregen de verschillende gemeenten een eigen politiekorps.

Vijf politiekorpsen

Omdat ook de minister van Defensie nog een politiekorps onder zijn verantwoordelijkheid had, waren er vijf verschillende politiekorpsen ontstaan die eigenlijk allemaal dezelfde taak hadden onder een andere baas. Het Korps Marechaussee bedroeg ongeveer 1200 man en stond onder de verantwoordelijkheid van de ministers van Defensie en Justitie. Het Korps Rijksveldwacht stond onder de minister van Justitie en bedroeg ongeveer 1400 man. De gemeentepolitie, ongeveer 11.000 man, viel onder de minister van Binnenlandse zaken. Daarnaast waren er de politietroepen van de minister van Defensie, die ongeveer 1600 man bedroegen, en de veldwachters die onder de verantwoordelijkheid van de plaatselijke burgemeester vielen.

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde de verdeling van politiekorpsen in Nederland. De politietroepen werden verdeeld over de Marechaussee, de Rijksveldwacht en de gemeentepolitie. Al deze agenten werden in 1942 onder de directeur-generaal van Politie geplaatst. Later verdween de scheiding tussen gemeentelijke en rijkspolitie en werd de gemeentepolitie omgevormd tot de Staatspolitie. Op dat moment bestond de politie uit ongeveer 20.000 man. Na de oorlog hadden veel Nederlanders het gevoel dat bijna alle politieagenten met de Duitsers hadden samengewerkt. Weer werd de samenstelling van de politiekorpsen veranderd. Gemeenten met meer dan 25.000 inwoners kregen een eigen gemeentepolitie onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. In de rest van het land werd de orde gehandhaafd door het Corps Rijkspolitie onder de leiding van de minister van Justitie.

Rampjaar

Dit systeem werd gehandhaafd tot 1966, dat ook wel ‘het rampjaar van de politie’ wordt genoemd. De politie kreeg in de jaren ’50 en ’60 onder andere te maken met nozems, provo’s, ludieke acties op het Spui en studentenprotesten. In 1966 liep de trouwerij van prinses Beatrix en Claus von Amsberg uit op een veldslag tussen de politie en demonstranten. De Commissie Enschedé moest onderzoeken hoe dit allemaal kon gebeuren. Deze commissie kwam met twee conclusies. De eerste was dat het met de professionalisering van de politie slecht gesteld was. De tweede conclusie was dat de politie vervreemd was van de huidige maatschappij. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de hoofdcommissaris van dat moment, Hendrik Jan van der Molen, ontslagen werd. Hij zou niet goed op hebben getreden tijdens de ongeregeldheden.

Reorganisatie

In 1993 werd de organisatie van de politie drastisch gereorganiseerd. De Rijks- en gemeentepolitie verdwenen en het land werd opgedeeld in vijfentwintig regio’s. Elke regio werkte zelfstandig onder de leiding van een korpschef. Naast de vijfentwintig regio’s kwam er nog een zesentwintigste korps, het Korps landelijke politiediensten (KLPD). Op dit moment werkten er ongeveer 50.000 mensen bij de politie. Dit systeem heeft dus achttien jaar bestaan en nu wil het huidige kabinet de organisatie van de politie in Nederland opnieuw veranderen.


Tweet about this on Twitter3Share on Facebook2Share on LinkedIn0Share on Google+0Email this to someone